
Het opheffingsspook is weer ten tonele gevoerd. Ditmaal door een onverwachte motie van D66-Kamerlid Schouw bij de behandeling van de begroting van Binnenlandse Zaken. In de motie wordt het kabinet opgeroepen voorstellen voor te bereiden voor het opheffen van de waterschappen. De taken worden ondergebracht bij de provincies. Een kolderieke coalitie van SP, PVV en PvdA helpt de motie aan een Kamermeerderheid.
De motie is onzalig, dom en niet nodig.
Het opheffen van waterschappen is een onzalige gedachte. In het door water zo bedreigde Nederland is het hebben van een overheid die waterbeheer als exclusieve taak heeft een levensvoorwaarde. Het is onze collectieve verzekeringspolis tegen de dreiging van water en wateroverlast. Zonder de 24-uurszorg van waterschappen zou het land onbeveiligd zijn tegen overstromingen en continue ten prooi vallen aan wateroverlast. De motie getuigt van het ontbreken van het basale inzicht bij verschillende Kamerfracties wat nodig is voor een veilig en effectief waterbeheer in de laagst gelegen delta van Europa. Dit terwijl de internationale waardering voor en kennis over onze "watergovernance" fenomenaal is. Zo niet onder de Haagse kaasstolp: men slacht op een achternamiddag de kip met de gouden eieren.
Het opheffen van waterschappen en het onderbrengen van de taak bij de provincies is niet alleen onzalig, maar ook erg dom. Waterbeheer in Nederland is vooral een lokale taak die kundig en met passie buiten wordt uitgevoerd. Peilbeheer, het baggeren van watergangen, de integratie van het afvalwaterzuiveringsbeheer en het rioleringsbeheer, aanleg en onderhoud van natuurvriendelijke oevers en inspectie van dijken en veenkades; het is allemaal lokaal uitvoerend maatwerk. Terwijl alle provinciale uitvoeringstaken de laatste jaren hebben afgestoten, zou de op regie en kaderstelling toegesneden provincies opeens worden getrakteerd op een wezensvreemde omvangrijke uitvoeringstaak. Een taak die wordt uitgevoerd op de schaal van sloot, wijk, buurt en polder. Hoewel twee jaar geleden enkele provinciebestuurders nog wel trek hadden in taakuitbreiding, is nu de reactie van het IPO dat ze dit cadeau van de Tweede Kamer bij voorkeur aan zich voorbij laat gaan. Het past niet. Het is volstrekt tegen de trend van de bestuurlijke organisatie en de zeer recent door de regering gemaakte afspraken in het bestuursakkoord in.
Dom is ook dat betrokken Kamerfracties zich niet realiseren dat in ons lage sompige land met veranderende klimatologische omstandigheden water sturend in de ruimtelijke ordening dient te zijn. Willen we ons land ook voor toekomstige generaties droog en veilig houden is het van belang dat de overheden die verantwoordelijk zijn voor de ruimtelijke ordening (provincie en gemeenten) weten dat hun plannen door een derde deskundige overheid (waterschap) worden getoetst op waterveiligheid. Die watertoets door de provincies in eigen huis laten verrichten riekt naar belangenverstrengeling en is de kat op het spek binden.
Het opheffen van de waterschappen is ook niet nodig. Het is onbegrijpelijk dat in een tijd dat de kredietcrises in Europa toeslaat en regeringen en parlementen krampachtig en tot op heden weinig succesvol pogen het tij te keren, het Nederlandse parlement zich zet aan de reparatie van iets dat niet kapot is. Integendeel! Uit vele vergelijkingen en benchmarks blijkt keer op keer dat van alle overheden de waterschappen het meest bedrijfsmatig en efficiënt werken. Al jaren bevinden de tarieven voor waterveiligheid, droge voeten en schoonwater zich op het niveau van een abonnement op de kabeltelevisie. Geruisloos en zonder aandrang zijn de waterschappen opgeschaald van 250 stuks in 1990 naar 25 nu. Deze cijfers zijn bekend. De meeste Kamerleden die de waterschappen willen opheffen beginnen dan ook met de zin "De waterschappen doen natuurlijk uitstekend hun noodzakelijke werk, maar....". Iets reparen dat niet kapot is, heeft nog nooit wat opgeleverd. Zeker niet als daar een grondwetsherziening mee gepaard gaat. D66 mag zich inmiddels toch voldoende ervaringsdeskundige weten om te beseffen dat ingrepen in de bestuurlijke organisatie in ons land vaak tot mislukken gedoemd zijn. De motie zal leiden tot een weer veel geld kostend onderzoek of staatscommissie, waarvan de resultaten en rapporten ongebruikt op de al indrukwekkende stapel van eerdere studies zal komen te liggen.
Valt er dan niet te bezuinigen? Ook op dit punt lijkt de indiener van de motie niet veel tijd besteed te hebben aan de voorbereiding. Anderhalf jaar geleden is de proefballon van enkel balorige provinciebestuurders dat de opheffing van waterschappen wel 750 miljoen zou opleveren vakkundig en erkend doorgeprikt door het wetenschappelijke onderzoeksinstituut COELO. Met pijn en moeite zou op de lange termijn wellicht 80 miljoen kunnen worden bespaard in de onzekere veronderstelling dat aan provinciale kant de kosten niet gaan stijgen. Dankzij het eigen belastingstelsel van de waterschappen weten de belastingbetalers dat elke betaalde euro ook daadwerkelijk aan het waterbeheer in zijn woon- of werkomgeving wordt besteed. Dat kan van de provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting niet worden gezegd. Opheffen en onderbrengen bij de provincies is dus echte het paard achter de wagen spannen.
Het is onzalig, dom en niet nodig. Kamer, ga over tot de orde van de dag. Wij blijven ondertussen namens onze burgers zorgen voor het water. Dan is dat in ieder geval vast goed geregeld!
Hans Oosters
