Weblog dijkgraaf Hans Oosters

Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard
Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard

Weblog dijkgraaf Hans Oosters

Storm

Hoewel we ons in waterschapstermen in het gesloten seizoen bevinden, en dus werkzaamheden aan voor de waterveiligheid essentiële keringen en kunstwerken uit den boze zijn, is er volop activiteit waar te nemen rond de bestuurlijke toekomst van het waterschapsbestel.

Op 4 november jl. heeft de Unie van Waterschappen (UvW)  in een brief aan staatssecretaris Huizinga aangegeven hoe de waterschappen een bijdrage kunnen leveren aan verlangde bezuiniging ad. 100 miljoen op het regionaal waterbeheer en hoe tegemoet gekomen kan worden aan een bestuursmodel waarin maximaal twee overheden zich met een taak bemoeien. Naar het zich laat aanzien zal de rijksoverheid dankbaar gebruik maken van de voorstellen voor het vinden van de bezuiniging door te korten op de middelen uit het Hoog Water Beschermingsprogramma  (HWBP) en het door de waterschappen geheel voor eigen rekening nemen van de muskusrattenbestrijding. Andere voorstellen die meer verband houden met het winnen van efficiency binnen het totale waterbeheer en de afvalwaterketen roepen meer discussie op. Het is te hopen dat de andere koepels van decentrale overheden (VNG en IPO) bereid zullen zijn om gezamenlijk naar de voorstellen van de waterschappen te kijken, teneinde vervolgens voor de rijksoverheid aanvaardbare oplossingen op tafel te leggen.

Twee specifieke punten die verband houden met de discussie over het voorstel van de waterschappen vragen op de kortere termijn de aandacht.
In de eerste plaats is dat de door de Unie van Waterschappen uitgesproken verwachting dat de bijna autonome daling van het aantal waterschappen zich onverminderd zal doorzetten en uiteindelijk zal leiden tot een substantieel kleiner aantal in 2020. De discussie lijkt daarbij  te gaan over de vraag of daarbij een streefgetal als doelstelling moet worden opgenomen of dat met vertrouwen vastgesteld kan worden dat waterschappen, wanneer daar vanuit de aard van het werk of de financiën aanleiding toe is, zelf voldoende vaardig zijn om tot fusies te besluiten. De gestage daling van het aantal dat sinds de vijftiger jaren is ingezet (van 2500 naar 26) vormt van de laatste veronderstelling het levende bewijs. Toch lijkt er in het Haagse circuit forse aandrang om de teruggang nader te kwantificeren. Dat lijkt onverstandig en gezien de betrekkelijk geruisloze vermindering gedurende de afgelopen decennia ook allerminst noodzakelijk. Een dergelijk kwantificering zou wel dringend gewenst zijn voor het terugbrengen van het aantal departementen, provincies en vooral ook gemeenten. Als gemeenten er hetzelfde opschalingstempo als de waterschappen op na hadden gehouden, dan zouden er inmiddels nog maar een kleine 10 gemeenten over zijn.
Maar belangrijker is natuurlijk een aantal inhoudelijke bezwaren tegen het kwantificeren van de doelstelling voor verdere schaalvergroting. Wanneer, als gevolg van taakoverdracht en het streven om het waterbeheer meer in één hand te brengen, de verantwoordelijkheid van het waterschap in het publieke domein verder stijgt en ook het eigen belastinggebied ten behoeve van die taakuitbreiding verder wordt vergroot, dan neemt het belang van een voor de taak en het beheersgebied representatief bestuur nog meer toe. Wil dat bestuur, en de ambtelijke organisatie, daadwerkelijk op een verantwoorde manier invulling geven aan de representatieve taak, dan zijn er grenzen aan de omvang van het geografisch bepaalde beheersgebied. Wanneer waterschapsmedewerkers over onvoldoende gebiedskennis beschikken en de band tussen kiezer en gekozenen steeds wijder wordt, komt de kwaliteit van het werk en de representativiteit van het bestuur in het gedrang. Uiteindelijk gaat het bij de uitvoering van deze cruciale functionele overheidstaak nog altijd om de trits belang, betaling en zeggenschap. Goed inhoudelijk waterschapswerk dat in voldoende mate geborgd is bij de belanghebbenden kent dus uiteindelijk geografische grenzen. Het bepalen van die grenzen verloopt niet via blauwdrukken, maar moet altijd maatwerk blijven. In dat verband is het ook onzin om bij schaalvergroting in alle gevallen stroomgebieden als leidraad te nemen. In het door zee- en rivierwater bedreigde westen van ons land lijken de bestaande dijkringen en bemalingsgebieden veel logischere begrenzingen.

Het tweede punt dat, naar het zich laat aanzien, op korte termijn de nodige discussie zal opleveren is de besluitvorming die zal volgen op de evaluaties van de in november 2008 gehouden waterschapsverkiezingen. Als gevolg van het haperende systeem van briefstemmen en de lage opkomst (nog geen 25%) wordt opnieuw met een zekere gretigheid door politiek Den Haag gespeculeerd op de zoveelste wijziging van het kiessysteem. Alhoewel de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat in een brief aan de kamer heeft aangegeven dat ze eerst nadere studie wil doen over de alternatieven voor de huidige wijze van verkiezingen, lopen een aantal kamerwoordvoerders zich al warm voor het maar snel inwisselen van de directe verkiezingen voor een systeem van indirecte of getrapte verkiezingen. Dat een waterschapsbestuur dat verkozen is door gemeenteraden of provinciale staten een groot stuk directe democratische legitimatie verliest wordt daarbij blijkbaar voor lief genomen. De hoogste wijsheid lijkt te zijn dat de vierjaarlijkse verkiezingen maar een hoop gedoe geeft. Dit alles in weerwil van de ontwikkeling dat waterschappen steeds nadrukkelijker in het publieke domein aanwezig zijn en het, in nationale en internationale context, niet erg voorstelbaar is dat een overheid die nagenoeg volledig uit belastingen wordt gefinancierd geen direct gekozen bestuur heeft. Het aloude adagium “no taxation without representation” heeft immers nog geenszins aan zeggingskracht ingeboet. Indirecte verkiezingen zullen dus het einde van de financiële autonomie betekenen en luiden daarmee tegelijk het einde in van een zelfstandige overheidsorganisatie voor het decentrale waterbeheer.
Daarnaast doet het onbezonnen wijzigen van het verkiezingssysteem  geen recht aan de eerste positieve ervaringen met de nieuwe samenstelling van de waterschapsbesturen. De door velen bij aanvang gevreesde introductie van politieke partijen in het waterschapsbestuur pakt positief uit. Het lijstenstelsel betekent een substantiële versterking van de positie van de algemene besturen en de interactie van de lijsten met hun achterbannen is vele malen intensiever en effectiever dan in het personenstelsel. Ook lopen er via de politieke lijnen nu meer en betere contacten tussen de vertegenwoordigende organen van gemeenten en provincies. Interessant is de combinatie van politieke partijen en regionaal of themagebonden lijsten, zoals die van de verkiezingswinnaar Water Natuurlijk. Het leidt tot productieve coalities van politieke partijen en belangengroeperingen. In veel gevallen lijkt daarmee een betere en meer zichtbare  representatie van de belangen in een bepaald gebied gegarandeerd, dan in de veel uniformer samengestelde vertegenwoordiging in raden, staten en Tweede kamer.
Er is dus ook alle reden om het nieuwe stelsel, waarvan de inkt nog nauwelijks droog is, de kans te bieden om verder te ontwikkelen. En als de hoogte dan de opkomst dan daadwerkelijk de prikkel is om opnieuw in grijpen, kies dan voor de simpele en voor de hand liggende oplossing om voortaan de waterschapsverkiezingen gelijk te organiseren met de verkiezingen van de gemeenteraden. De eerste keer kan dit in 2014 plaatsvinden.

12 november 2009 - 07:36
DROGE VOETEN EN SCHOON WATER
Naar boven