Hoog water, de dijken te laag

Hoog water, de dijken te laag

Op 14 januari 2016 is het 100 jaar geleden dat tijdens een zware noordwesterstorm op tientallen plaatsen de dijken rondom de Zuiderzee braken. Deze Zuiderzeeramp wordt vooral herdacht in de noordelijke helft van het land, maar de gevolgen van de storm waren ook in de Krimpenerwaard merkbaar.

In de nacht van 13 op 14 januari, toen de ramp rondom de Zuiderzee zich voltrok, steeg het water in de Lek, Merwede en Hollandse IJssel tot ver boven het normale niveau. De dijkgraaf van het hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard besloot al in een vroeg stadium om het dijkleger op te roepen om vooral de dijk langs de Hollandsche IJssel in de gaten te houden. Het dijkleger was samengesteld uit inwoners van de verschillende dorpen, die langs de dijk lagen, en stond onder direct bevel van de burgemeesters ter plaatse. Ook de hoogheemraden van de Krimpenerwaard hadden een rol in de bewaking van de dijken. Zij bezetten in die nacht verschillende strategische posten. Omdat het aantal hoogheemraden niet toereikend was om de gehele dijk te bewaken, waren er voor zulke kritische momenten ook zogenaamde noodheemraden benoemd. De dijken hielden het die nacht, maar liepen wel op diverse plaatsen over zoals in de kom van het dorp Ouderkerk en bij het gemaal in Krimpen aan de Lek. Met behulp van riet, staken, planken en takkenbossen probeerde men het water te keren.

“Hij kreeg twee weken de tijd om het werk gereed te hebben”

Nauwelijks twee dagen later kwam het college van het hoogheemraadschap in een reguliere vergadering bijeen. Opvallend is dat eerst de gewone ingekomen stukken werden besproken voordat de bijna-ramp aan de orde kwam. Het college concludeerde dat de dijken tussen Krimpen aan de Lek en de Stolwijkersluis weliswaar zwaar en sterk genoeg waren, maar op vele plaatsen te laag. Behalve dat het water hier en daar over de dijk was gelopen, waren op die plaatsen ook delen van het binnentalud weggeslagen en waren de op de wind liggende buitenbelopen aangetast. Het college besloot met algemene stemmen tot een algehele dijkverhoging op het genoemde traject. Het herstel van de stormschade werd gegund aan aannemer T. Gouwens, die met een bedrag van fl.2107,- de laagste inschrijver voor dit karwei was. Hij kreeg twee weken de tijd om het werk gereed te hebben, waarvoor hij dan honderd gulden extra zou ontvangen.

Na het herstelwerk te hebben geregeld, besprak het college de maatregelen die tijdens de stormnacht zijn genomen. Gebleken was dat de trajecten die de hoogheemraden en noodheemraden ter bewaking waren toegewezen, te groot waren. Bij een echte dreigende doorbraak zou het ook aan materiaal ontbroken hebben. Het college vond het wenselijk om op verschillende plaatsen, ongeveer een kwartier uit elkaar, steeds twintig planken beschikbaar te hebben. Besloten werd ook ijzeren pennen aan te schaffen. Waarvoor deze moesten dienen, vermelden de notulen niet, maar waarschijnlijk voor het bevestigen van riet en takkenbossen als noodwaterkering.

Tot slot kreeg de fabriek-landmeter van het hoogheemraadschap de opdracht nauwkeurig in kaart te brengen welke gedeelten van de dijk te laag zijn gebleken en minder dan 3,6 meter +NAP hoog zijn en werd de secretaris-rentmeester gemachtigd de lonen van arbeid en toezicht uit te betalen aan iedereen die in die bewuste rampnacht aan het werk was geweest. Tijdens de volgende vergadering op 25 januari waren de meeste nota’s binnen en bleek het totaal uit te keren bedrag fl. 1673,70 te zijn. De totale kosten van de bijna-ramp, lonen en reparatiewerk, bedroegen ongeveer fl. 4500,-. Een schijntje vergeleken bij de herstelkosten in het Zuiderzeegebied.