Beleidsuitwerking peilbeheer - concept 2 juni 2025

Uitgangspunten voor het peilbeheer van het oppervlaktewater

Colofon

  • Status: concept voor consultatie
  • Taakveld: watersystemen
  • D&h-besluitdatum: 14 oktober 2025
  • Vv-besluitdatum: 26 november 2025
  • Datum inwerkingtreding: 27 november 2025
  • Publicatiedatum en plaats publicatie: 27 november 2025, Rotterdam
  • Afdeling: Watersystemen
  • Registratienummer: 2024.12933

1. Inleiding

1.1 Inleiding

Het peilbeheer van het oppervlaktewater is voor de waterhuishouding én voor het gebruik van water en land van cruciaal belang. Zeker in een gebied als het beheergebied van HHSK, waar het regionale watersysteem voor het grootste gedeelte door de mens zelf is aangelegd om te kunnen wonen, werken en recreëren. Land en water zijn dan ook nauw met elkaar verweven. Het peilbeheer vormt een belangrijke factor voor de toestand en het gebruik van het land en het water. Ontwikkelingen zoals klimaatverandering, bodemdaling, verstedelijking en natuurbeheer- en realisatie dagen het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) en anderen ook uit tot een adaptief, haalbaar en betaalbaar beheer voor toekomstige generaties.

Het beheer van de waterstanden in sloten, plassen en vaarten (verder: peilbeheer) is dan ook een van de kernactiviteiten van HHSK.

HHSK is verantwoordelijk voor de hele cyclus van het bepalen, implementeren, beheren, evalueren en eventueel herzien van de oppervlaktewaterpeilen. In deze beleidsuitwerking

peilbeheer staan de uitgangspunten en overwegingen die we daarbij hanteren.

1.2 Toepassing en status

Peilbeheer is één van de onderdelen van het beheer van het geheel aan sloten, vaarten en plassen, oftewel het (oppervlakte)watersysteem. Om goed watersysteembeheer te voeren, heeft het bestuur van HHSK verschillende beleidsdocumenten vastgesteld.

De meer algemene principes hoe we beleid toepassen en belangen afwegen, zijn opgenomen in de Nota watersystemen.

Een aantal onderdelen van het watersysteembeheer is uitgewerkt in een beleidsuitwerking. Specifiek noemen we hierbij de volgende beleidsuitwerkingen, die een relatie hebben met deze beleidsuitwerking peilbeheer:

  • De beleidsuitwerking grondwater. Deze gaat in op de invulling van de grondwaterbeheertaak door HHSK.
  • De beleidsuitwerking inrichting. Deze beschrijft richting en kaders bij de inrichting van het watersysteem, en richt zich daarmee ook op partijen die aan de lat staan voor integrale (her)inrichting van gebieden.
  • De beleidsuitwerking onderhoud. Deze beschrijft hoe HHSK het onderhoud van het watersysteem wil vormgeven en uitvoeren.
  • De beleidsuitwerking varen. Deze gaat in op de taken van HHSK in het vaarwegbeheer. Peilbeheer is één van de factoren die beïnvloedt of gevaren kan worden.

Deze beleidsuitwerking vervangt en actualiseert de eerder door HHSK vastgestelde uitgangspunten voor het peilbeheer, meer specifiek de beleidsuitwerking peilbeheer die in november 2018 is vastgesteld.

Hoe het waterschap waterstanden per gebied beheert, ligt vast in peilbesluiten. Deze beleidsuitwerking geeft de kaders voor het voorbereiden van actualisatie van peilbesluiten. Ook bevat deze beleidsuitwerking de kaders in welke situaties peilbeheer door andere partijen dan het waterschap wordt geaccepteerd. Dit is uitgewerkt in een specifieke beleidsregel ‘afwijkende peilen’ onder de Waterschapsverordening.

Deze beleidsregel is tegelijkertijd herzien met voorliggende beleidsuitwerking.

1.3 Totstandkoming en besluitvorming

De beleidsuitwerking peilbeheer is tot stand gekomen met raadpleging van gebruikers binnen het waterschap, gemeenten, de provincie Zuid-Holland, terreinbeherende organisaties en belangengroepen in het beheergebied in juni 2025.

De beleidsuitwerking heeft ter inzage gelegen van ….

De beleidsuitwerking is vastgesteld door de Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard op …

De beleidsuitwerking peilbeheer geldt vanaf het moment van vaststelling en heeft een onbeperkte geldigheidsduur. In 2030 wordt het functioneren van de beleidsuitwerking geëvalueerd.

1.4 Leeswijzer

Deze beleidsuitwerking gaat allereerst in op wettelijke en beleidsmatige kaders en op de ontwikkelingen die voor het peilbeheer van belang zijn (hoofdstuk 2). Hoofdstuk 3 omschrijft de essentie van het peilbeheer en vertaalt die naar de vier fasen van de cyclus van het peilbeheer (koersbepaling, implementatie, beheer, evaluatie).

Hoofdstuk 4 beschrijft de uitgangspunten en overwegingen voor de planvorming in het peilbeheer, zowel peilbesluiten als de kaders voor de zogenaamde afwijkende peilen.

Hoofdstuk 5 bevat kaders voor het peilbeheer in de praktijk: bediening van gemalen, stuwen en inlaten om water te sturen, in relatie tot de toestand van het watersysteem en de weersverwachting.

Hoofdstuk 6 geeft aan welke instrumenten (zoals plannen en verordeningen) HHSK inzet om de doelen van het peilbeheer te bereiken.

Tekstkaders: feiten en cijfers over het peilbeheer

In deze beleidsuitwerking is in enkele tekstvakken informatie over het watersysteem en het peilbeheer opgenomen. Deze tekstvakken bevatten geen beleidsuitspraken, maar geven enige informatie over de situatie in 2025 om de lezer zo beter het belang van de beleidsuitspraken aan te kunnen geven.

2. Kaders en ontwikkelingen

Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige uitgangspunten (‘kaders’) en ontwikkelingen waar HHSK voor wat betreft het peilbeheer mee te maken heeft.

2.1 Wet- en regelgeving en beleidskaders

Het waterbeheer door het waterschap krijgt vorm en inhoud binnen de kaders van wet- en regelgeving en de bindende plannen van Rijk, Provincie en gemeenten.

Europese kaders

Het waterbeleid in de Europese Unie is hoofdzakelijk vastgelegd in twee kaders: de Kaderrichtlijn water en de Kaderrichtlijn mariene strategie. Deze juridische kaders zijn aangevuld met meerdere specifieke richtlijnen. Deze richtlijnen zijn vertaald in nationale wet- en regelgeving en werken door in de (algemene) doelen en activiteiten van het Rijk, provincies en waterschappen. Ze bevatten geen directe instructies voor het peilbeheer.

Wel is er een relatie tussen de (ecologische) waterkwaliteitsdoelen voor het delen van het watersysteem (‘waterlichamen’) en de wijze waarop het peilbeheer wordt toegepast. Bijvoorbeeld de mate waarin de waterstand kan fluctueren.

Nationale wet- en regelgeving en beleid

Het wettelijk kader gaat terug tot een overheidstaak in de Grondwet. Artikel 21 van de Grondwet stelt: ‘De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu’.

De Omgevingswet is de basis voor het beheer en de uitvoering van de belangrijkste watertaken van het waterschap.

De Waterschapswet geeft regels over de taken van het waterschap.

In de Omgevingswet is in artikel 2.41 specifiek vastgesteld dat het Rijk (voor Rijkswater) en waterschappen (voor regionaal water) peilbesluiten opstellen voor in de (provinciale) Omgevingsverordening aangewezen wateren. Deze peilbesluiten doorlopen de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Die procedure staat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Rondom peilbesluiten stelt de Omgevingswet:

‘Een peilbesluit voorziet in de vaststelling van waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, die gedurende daarbij aangegeven perioden of omstandigheden zoveel mogelijk in stand worden gehouden.’

De laatste zinsnede maakt duidelijk dat de handhaving van het vastgestelde peil of de vastgestelde bandbreedte een inspanningsplicht is; er kunnen omstandigheden zijn dat hiervan wordt afgeweken.

Het Nationaal Waterprogramma bevat uitspraken over het peilbeheer van het hoofdwatersysteem (de rijkswateren) maar niet over de regionale wateren; de kaderstellende rol hiervoor ligt conform het Bestuursakkoord Water (2013) bij de provincie.

De nationale omgevingsvisie (NOVI, 2020) is de integrale nationale beleidsvisie conform de Omgevingswet. Het gaat met name in rondom peilbeheer bij het onderwerp ‘bodemdaling’. Het beschrijft over bodemdalinggevoelige (veen)gebieden: ‘In samenwerking met de mensen die wonen en werken in de gebieden, zullen de overheden steeds minder ‘peil volgt functie’ en steeds vaker ‘functie volgt peil’ als beleidsuitgangspunt hanteren. Daarbij streven zij vaker naar een verhoging van de grondwaterstand om bodemdaling en CO₂-emissie te verminderen. Samen met Waterschappen en provincies gaat het Rijk hierop sturen, waarbij per polder zal worden bekeken welke maatregelen wenselijk en mogelijk zijn. Voor bepaalde gebieden kan dit mogelijk ook functieverandering betekenen. Belangrijk uitgangspunt is dat er een goed toekomstperspectief voor de huidige gebruikers kan worden geboden.’

In december 2022 heeft het toenmalige kabinet een beleidsbrief ‘Water en Bodem sturend’ met richtinggevende principes naar de Tweede Kamer verzonden. Deze brief kan worden gezien als een opmaat naar hoe thematiek over water en bodem terugkeert in toekomstig nationaal omgevingsbeleid.
De beleidsbrief geeft geen rechtstreekse instructies over het peilbeheer van het watersysteem, maar bevat wel enkele richtinggevende principes waar het peilbeheer van het oppervlaktewater mee samen hangt.

Dit betreft onder meer het richtinggevende principe om ‘te streven naar grondwaterstanden van 40 tot 20 centimeter onder maaiveld in veenweidegebied’. Ook het richtinggevende principe ‘we minimaliseren de aanvoer van gebiedsvreemd water. Daardoor houden we zoveel mogelijk zoetwater beschikbaar voor peilopzet en tegengaan van verzilting’ heeft een relatie met peilbeheer.

Regionale partijen onder regie van de provincie krijgen de opdracht om deze principes uit te werken in gebiedsprocessen.

Provinciaal beleid en regelgeving

Het omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland ligt vast in de provinciale omgevingsvisie. In de in 2024 vastgestelde omgevingsvisie wordt specifiek ingegaan op het gebied peilbeheer onder het beleidsthema: ‘Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering en bodemdaling’

Hierbij is onder meer als ambitie opgenomen:

‘De provincie wil, samen met alle belanghebbende partners en partijen, de directe en indirecte maatschappelijke kosten door bodemdaling beperken. In specifiek de veen(weide)gebieden wil de provincie de bodemdaling beperken, omwille van 1) de generieke klimaatopgave om broeikasgasemissies door veenoxidatie terug te dringen en 2) de soms plaatselijke noodzaak in urgent kwetsbare gebied(en), waar het blijven meebewegen met de veenbodemdaling tegen fysieke of financiële grenzen aanloopt en niet langer is te verantwoorden.’

Over peilbeheer wordt onder die ambitie het volgende gesteld:

‘De provincie verwacht van de waterschappen dat ze rekening houden met de gevolgen van bodemdaling, onder andere bij het vaststellen van de peilbesluiten en dat zij aangeven als dit knelt met andere normen, belangen, functies of grondgebruik.

Hierbij wordt het volgende opgemerkt:

Waar conflicterende situaties zich voordoen wil de provincie een gebalanceerde (gebied specifieke) afweging tussen de verschillende belangen, doelen en normen (mogelijk helpen):

Het vernatten van veenbodem door het verhogen van de grondwaterstand of aangepast peilbeheer kan zorgen voor lastige/conflicterende keuzen doordat het zorgt voor:

  • een grotere zoetwatervraag, die ten tijde van extreme droogte vaker kan leiden tot schade door de noodzakelijke inlaat van brakwater
  • een groter risico op wateroverlast, doordat de veenbodem natter is en minder buffercapaciteit heeft’

De provincie legt in haar omgevingsverordening instructieregels op aan de waterschappen. De instructieregels gaan over de uitoefening van taken van het waterschap en de inhoud van het beleid.

In de Omgevingsverordening Zuid-Holland, art. 7.5 is bepaald dat HHSK voor vrijwel het hele beheergebied dient te zorgen voor actuele peilbesluiten.

Peilbesluiten moeten actueel zijn. HHSK beoordeelt met regelmaat of een peilbesluit nog actueel is, wat ertoe kan leiden dat het peilbesluit voor het ene gebied vaker wordt herzien dan het andere.

Het waterschap heeft de vrijheid en verantwoordelijkheid om de functies in het gebied via het waterbeheer te faciliteren, rekening houdend met onder meer de functietoekenning uit het omgevingsbeleid.

Gemeentelijk beleid en regelgeving

Gemeenten en andere instanties hebben geen rechtstreekse kaderstellende rol of bevoegdheden ten aanzien van de oppervlaktewaterpeilen. Wel heeft de gemeente de zorg voor een doelmatige inzameling en verwerking van het hemelwater en de zorg voor de grondwaterstand in het stedelijke gebied.

Ook is er een nauwe relatie tussen het grondgebruik, beheer en inrichting van het gebied (o.a. bouw- en aanleghoogten en oppervlaktewatersysteem) en de oppervlaktewaterpeilen. HHSK zet zich samen met gemeenten en andere partijen in om deze zaken goed op elkaar af te stemmen, kansen te benutten en knelpunten, nu of in de toekomst, te voorkomen.

2.2 Gebied en ontwikkelingen

Landgebruik is één van de factoren om rekening mee te houden in het peilbeheer. Het beheergebied van HHSK kent een gevarieerd landgebruik. Het Schielandse deel is grotendeels bebouwd voor wonen en werken, met in het noorden ook glastuinbouw en akkerbouw. Ook komt veeteelt voor. De Krimpenerwaard is hoofdzakelijk grasland in functie van melkveehouderij, met natuurgebieden en bebouwde kernen.

De grondslag van het gebied varieert tussen overwegend (ophoog-) zand en klei in het stedelijke gebied, klei in glastuinbouw- en akkerbouwgebieden, en veen in het veenweidegebied. Het hele gebied is in meerdere of mindere mate gevoelig voor bodemdaling, in het bijzonder het veen. Er zijn verschillen in terreinhoogte. Een deel van het gebied kent kwel en – in samenhang daarmee – in de diepere delen van het gebied soms instabiele waterbodems.

Door het intensieve en diverse grondgebruik, toenemende bevolking en bebouwing en de uiteenlopende omstandigheden is het peilbeheer in het gebied van HHSK een complexe zaak. Om aan de verschillende belangen tegemoet te komen is het gebied verdeeld in een groot aantal peilgebieden die verbonden zijn door duikers, inlaten, stuwen en gemalen. Ten behoeve van de watervoorziening voor bedrijven en funderingen zijn soms aanvoervoorzieningen aangelegd met een wat hoger waterpeil dan het omringende gebied.

Ook worden in bepaalde deelgebieden door de eigenaren en gebruikers ‘afwijkende peilen’ in stand gehouden in verband met een afwijkende hoogteligging of specifieke belangen als de fundering van een woning.

Ruimtelijke ontwikkelingen en processen als bodemdaling en klimaatverandering vormen extra uitdagingen voor het peilbeheer. Aanpassing van de bestaande situatie is vaak ingrijpend en brengt hoge inrichtingskosten met zich mee. Om zowel de situatie als de kosten beheersbaar te houden moeten steeds bewuste keuzes worden gemaakt, zowel in het waterbeheer als in het toekennen van ruimtelijke functies, en zowel voor ‘nu’ als met het oog op de langere termijn. HHSK heeft hierin een adviserende rol via onder meer de Weging van het Waterbelang.

Waar is HHSK beheerder van de waterstand?

De basis voor de taakverdeling in het waterbeheer ligt in de Omgevingswet. Deze maakt een onderscheid tussen regionale wateren (met een waterschap als beheerder) en Rijkswateren.

Op basis van een algemene maatregel van bestuur onder de Omgevingswet (de Omgevingsregeling) zijn wateren aangeduid als Rijkswater.

Voor de oppervlaktewateren die geen rijkswater zijn, is in de basis het waterschap waterbeheerder. De ligging van een waterkering is hierin niet leidend. Zo is HHSK ook beheerder van een aantal wateren in buitendijkse gebieden. Denk bijvoorbeeld aan het park bij de Euromast in Rotterdam.

HHSK is enkel peilbeheerder van de wateren die van belang worden gezien voor het functioneren van het watersysteem. Deze zijn vermeld op de zogenaamde ‘legger’ van een waterschap. Van bijvoorbeeld geïsoleerde kleine vijvers is het waterschap geen peilbeheerder. Het kan ook voorkomen dat HHSK beheerder is van een water, maar het beheer in de praktijk op basis van regels onder de Waterschapsverordening belegd heeft bij een derde partij zoals een gemeente.

3. Doelen van en werkwijze in het peilbeheer

3.1 Doelen van het peilbeheer

Het doel van peilbeheer is om op basis van een brede maatschappelijke afweging vast te stellen wat het beste waterpeil is voor een bepaald gebied en om vervolgens in de praktijk de waterstanden zo goed mogelijk te handhaven volgens dit vastgestelde peil.

Het beste waterpeil is het peil waarbij de (gebruiks)functies van het gebied zoveel mogelijk worden ondersteund en (het risico op) eventuele schade zo klein mogelijk is. Bij schade moet niet alleen worden gedacht aan schade aan eigendommen, maar ook aan ongewenste veranderingen van het gebied zoals bodemdaling en bodeminstabiliteit. Bij het vaststellen van het beste waterpeil moet ook rekening gehouden worden met andere (peil)gebieden en met de efficiëntie en uitvoerbaarheid van het peilbeheer, nu en later.

Voor het vaststellen van het beste waterpeil (in een peilbesluit) moet rekening gehouden worden met onder meer:

  • Het mogelijk maken van de gebruiksfunctie(s) van het gebied;
  • Het beschermen en zo mogelijk verbeteren van de ecologische kwaliteit van het water en de oevers;
  • Het beperken en voorkomen van verdrogingsschade;
  • Het beperken en voorkomen van vernattingsschade;
  • Bescherming van het grondwater (hoeveelheid en kwaliteit);
  • De integriteit en stabiliteit van de waterkering en peilscheidingen;

HHSK beheert in 2025 zo’n 370 kilometer aan waterkeringen langs de grote rivieren en langs (boezem)wateren die hoger liggen dan de polders, zoals de Rotte en Ringvaart. Ook zijn er duizenden kilometers aan lagere kades (‘peilscheidingen’) die de grens vormen tussen twee peilgebieden

De waterstand in de sloten direct aan de binnenzijde van de kering speelt een rol in de stabiliteit. De hoogte en de steilte van het talud is mede afgestemd op deze sloot. Daarom beoordelen we voorgenomen wijzigingen van waterstanden, of dit nu een verhoging of verlaging is, altijd op mogelijke risico’s voor de waterkering.

  • Het beperken van bodemdaling;
  • Het beperken van ongewenste kwel en bodeminstabiliteit;
  • Beperken van versnippering van peilgebieden;
  • Beperking van kosten;
  • Beperken van aan- en afvoer van water bij het uitvoeren van het beheer.

Het beperken van aan- en afvoer van water dient diverse doelen:

  • Afvoer is in ons gebied veelal ‘omhoog’ pompen en kost energie. We willen geen onnodige energie gebruiken.
  • Aan water aan- en afvoeren zijn directe kosten verbonden.
  • Wateraanvoer kan leiden tot verspreiding van ongewenste stoffen in het watersysteem, iets dat we niet onnodig willen.
  • Op sommige momenten is voldoende zoet water in West-Nederland schaars. Daarom willen we regenwater vasthouden waar het valt.

Om te voldoen aan peilbesluiten in wisselende weersomstandigheden is veelal water aan- of afvoer nodig, maar we willen deze hoeveelheid niet onnodig groot maken. De sleutel ligt vaak bij de aanvoer: wat ‘onnodig’ onder vrij verval ingelaten wordt, moet ook weer omhoog gemalen worden om wateroverlast benedenstrooms te voorkomen.

HHSK gebruikt in 2025 geen water om grootschalig structureel watersystemen door te spoelen. Wel is er nog onnodige wateraanvoer via vele (veelal kleine) inlaten binnen ons watersysteem.

Het beheer van de waterstanden in de praktijk is er in eerste instantie op gericht om zoveel mogelijk te voldoen aan het vastgestelde peil en daarmee recht te doen aan de diverse belangen.

Het vastgestelde peil is echter geen doel op zichzelf. Er kunnen daarom omstandigheden zijn (zoals weersomstandigheden of veranderingen in het gebied) waarbij de belangen (tijdelijk) beter gediend worden door af te wijken van het vastgestelde peil. Dit wordt in hoofdstuk 5 van de beleidsuitwerking toegelicht.

Soms is een belang van een bepaalde waterstand klein, terwijl het (te) grote inspanning vraagt om in het peilbeheer rekening te houden met dit belang. In dat geval houden wij als waterschap geen rekening met dit belang. Wel bieden we belanghebbenden onder voorwaarden de mogelijkheid zelf een afwijkend peil te realiseren. Dit wordt in hoofdstuk 4 toegelicht.

3.2 De cyclus van het peilbeheer

cyclus-peilbeheer

Het bepalen, implementeren, beheren, evalueren van de oppervlaktewaterpeilen vormt een samenhangende, voortgaande cyclus.

In deze paragraaf is beschreven wat de verschillende fasen inhouden en hoe we in grote lijnen te werk gaan.

Fase 1: Koersbepaling: opstellen beleid en peilbesluiten

De basis voor de wijze waarop we ons peilbeheer willen uitvoeren, stellen we vast in beleid – deze beleidsuitwerking peilbeheer.

We stellen vervolgens op basis van dit beleid de na te streven waterpeilen vast op grond van een integrale, inzichtelijke afweging. Dit leggen we vast in peilbesluiten.

Alle relevante partijen worden bij het proces betrokken. We staan in de afweging stil bij mogelijke maatschappelijke effecten en ontwikkelingen op de korte en langere termijn. De uitkomsten van de afweging vormen de basis van het door HHSK vast te stellen peilbesluit, of van een vergunning waarmee het peilbeheer wordt toebedeeld aan een derde partij.

Hoofdstuk 4 van deze beleidsuitwerking gaat verder in op peilbesluiten en vergunningen.

Fase 2: Implementatie peilbesluit

In een peilbesluit kunnen zowel bestaande situaties worden vastgelegd, als veranderingen worden voorgesteld Veranderingen kunnen niet altijd onmiddellijk na de vaststelling worden ingevoerd. Dit kan afhankelijk zijn van de uitvoering van werkzaamheden (aanpassingen), van ruimtelijke ontwikkelingen van derden, of van kenmerken van het gebied (bijvoorbeeld de risico’s op oeverafkalving bij snelle peilverandering). We gaan hier als volgt mee om:

  • Als de planning voldoende ‘zeker’ is leggen we bij de vaststelling van het peilbesluit vast wanneer de nieuwe peilen worden ingesteld.
  • Bij een grotere onzekerheid kan bij het peilbesluit worden bepaald dat de nieuwe peilen pas worden toegepast nadat het dagelijks bestuur van het waterschap een nadere datum heeft bepaald;

Zolang de nieuwe peilen niet worden ingesteld blijven de ‘oude’ peilen van toepassing. Dit wordt vermeld in het besluit. Ook kan worden bepaald dat een nieuw peil gefaseerd in tijd of ruimte wordt ingevoerd.

Het peilbeheer wordt waar nodig uitgewerkt in een beheerprotocol, dat beschrijft hoe we in verschillende (weer)situaties het peilbeheer verrichten.

Burgers, bedrijven en instanties worden bij implementatie van een nieuw peilbesluit geïnformeerd over de nieuwe situatie.

Fase 3: Beheer

Het beheer wordt afgestemd op de omgeving, de seizoenen en de weersomstandigheden, en zorgvuldig uitgevoerd. We streven daarbij naar:

  • Zo goed mogelijk realiseren van de beoogde doelstellingen van het peilbeheer, overeenkomstig de afweging en de keuzes die ten grondslag liggen aan het peilbesluit en waar van toepassing ook het beheerprotocol.
  • Zoveel mogelijk voorkomen van nadelige effecten.
  • Kosteneffectiviteit en beperking van het energieverbruik door de bemaling.

Onderdeel van deze beheerfase is het monitoren van waterstanden. De wijze waarop we monitoren verschilt per gebied, en hangt af van kenmerken (bv. grootte, type afwatering).

Bijzondere omstandigheden (extreme neerslag of droogte, calamiteiten, tijdelijke situaties) kunnen aanleiding zijn om van de vastgelegde peilen of bandbreedte af te wijken. Dat kan ook preventief, bijvoorbeeld door het peil te verlagen als extreem veel regen wordt verwacht, om de kans op schade en overlast zoveel mogelijk te beperken.

Toezicht op peilbeheer dat derden via een vergunning uitvoeren, is ook onderdeel van de beheerfase.

Hoofdstuk 5 van deze beleidsuitwerking gaat verder in op het beheer.

Fase 4: Evaluatie en actualiteit

We evalueren jaarlijks

  • Of het gevoerde peilbeheer strookt met de vastgestelde peilbesluiten op basis van metingen.
  • Of de peilbesluiten voldoende actueel zijn, en welke peilbesluiten als eerste in aanmerking komen voor herziening.

Bij beoordeling van de actualiteit van een peilbesluit letten we onder meer op het volgende:

  • De mate waarin de destijds gehanteerde ruimtelijke informatie, weging van belangen en technische, beleidsmatige of wettelijke uitgangspunten nog actueel zijn.
  • De mate waarin de waterstand in praktijk kan worden en is gehandhaafd.
  • Recente en verwachte ruimtelijke of maatschappelijke ontwikkelingen.

Heroverweging van het peilbeheer en de doelen van het peilbeheer op basis van deze evaluaties valt onder fase 1, de koersbepaling. En daarmee is de cyclus van het peilbeheer rond.

4. Uitgangspunten voor peilbesluiten en vergunningverlening

4.1 Strategie peilbeheer – richtlijnen voor peilbesluiten

Een van de belangrijkste resultaten die met peilbeheer wordt bereikt, is drooglegging van het land. Drooglegging is het (gemiddelde) hoogteverschil tussen de oppervlaktewaterstand en terrein. Dat vormt een belangrijke randvoorwaarde voor het gebruik van de grond en het water.

Voor gebruik van de grond is veelal de grondwaterstand van belang. De oppervlaktewaterstand is één van de variabelen die de grondwaterstand beïnvloedt, samen met het patroon van neerslag en verdamping, de afstand van een locatie tot de sloot of singel, de bodemsoort, de bodemstructuur en de eventuele aanwezigheid van drains, greppels, riolering of ondergrondse bouwwerken.

Drooglegging is ook nodig om tijdelijk regen in sloten te kunnen bergen: het beïnvloedt daarmee de kans op overstroming vanuit het watersysteem.

Het slootpeil kan daarnaast van direct belang zijn voor het realiseren van voldoende waterdiepte voor onder meer de ecologie, en voor de bevaarbaarheid.

Integrale afweging

Het oppervlaktewaterpeil wordt bepaald aan de hand van een integrale belangenafweging. Hierbij is in de basis de functietoekenning uit het omgevingsplan van de gemeente bepalend voor de beoordeling van het grondgebruik. Daarbij kan grondgebruik bestaan uit verschillende functies: bijvoorbeeld een combinatie van een agrarische en een weidevogelfunctie. Daarnaast zijn ook milieufactoren als de waterkwaliteit, de invloed van waterbeheer op snelheid van bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen, landschappelijke waarden en de beheer- en betaalbaarheid van het watersysteem factoren die meewegen in de integrale afweging.

In hoofdstuk 3 is aangegeven welke doelen HHSK nastreeft met voor het peilbeheer. Samengevat houden deze doelen in dat we voor de waterpeilen en de drooglegging strategieën toepassen die zo goed mogelijk aansluiten bij het gebruik en de diverse functies van het water en het gebied, ook op de langere termijn.

We overwegen altijd een flexibel peilbeheer

Het hoogheemraadschap kiest waar passend vanuit de belangenafweging en waar praktisch haalbaar voor een vorm van flexibel peilbeheer. Het peil van het oppervlaktewater wordt daarbij binnen vooraf bepaalde marges geregeld, en niet op één hoogte gehouden. Hiermee kan worden ingespeeld op de weersverwachting en kunnen de beschikbare waterberging en beschikbare hoeveelheid water zo goed mogelijk worden benut. Soms wordt dit ook als dynamisch peilbeheer omschreven. Een andere reden voor flexibel peilbeheer is het behoud en ontwikkeling van vegetatie in de oeverzone, die vaak baat heeft bij enige variatie in waterstand. Ook kan gekozen worden voor een peilregime waarbij regenwater zoveel mogelijk wordt vastgehouden, en daarmee de hoeveelheid inlaatwater zo beperkt mogelijk wordt gehouden met het oog op de waterkwaliteit.

Het flexibele peil wordt als een bandbreedte vastgelegd in het peilbesluit. De mate waarin variatie gewenst is, verschilt per bodemsoort en gebied. Risico’s op oeverafkalving is één van de factoren die hier bij meeweegt.

Integrale afweging – vertrekpunten per type gebied

Hoewel een integrale afweging altijd centraal staat, is er vaak één vorm van grondgebruik die in een peilgebied domineert. We hebben verschillende strategieën voor het peilbeheer per type grondgebruik. Deze zijn als volgt:

In de boezemwateren staat de functie afvoer van water uit en/of aanvoer naar het omliggende gebied voorop, evenals de aanvoerfunctie naar andere gebieden in droge perioden en de veiligheid van de boezemwaterkeringen. Op de langere termijn zouden deze functies door peilaanpassingen in het gedrang komen. Dat geldt ook voor het gebruik als vaarweg. Daarom worden binnen de boezem niet of nauwelijks peilaanpassingen doorgevoerd. Bestaande beheermarges in het waterpeil, voor verhang en/of berging, houden we in stand of worden vergroot.

Concreet betreft dit de Rotte, de Ringvaart van de Zuidplaspolder en Polder Prins Alexander, en de Vaart polder Bleiswijk.

In stedelijk gebied, inclusief stedelijk groen, sportvoorzieningen, volkstuinen, etc., is vaak sprake van tegenstrijdige belangen, onder meer door de verschillende funderingstypen, vloer- en terreinhoogten en mogelijke effecten infrastructurele voorzieningen. De meeste voorzieningen zijn afgestemd op het bestaande waterpeil. De algemene lijn van HHSK is daarom dat in stedelijk gebied niet of zeer beperkt peilaanpassing plaatsvindt. De eigenaren en gebruikers en de gemeente (beheerder/eigenaar openbare ruimte) dragen zorg voor beheer en onderhoud van terreinen, bebouwing en voorzieningen, waaronder het ophogen van tuinen, verhardingen en terreinen.

Een vergelijkbare lijn geldt ook voor glastuinbouwgebieden en recreatiegebieden.

In agrarisch veenweidegebied daalt de bodem, onder meer door veenafbraak. In dit gebied is het grondgebruik veelal grasland t.b.v. melkveehouderij, met soms ook waarde voor weidevogels, en recreatief medegebruik.

Bekend is dat veen boven de grondwaterspiegel aanzienlijk sneller afbreekt dan veen onder de grondwaterspiegel. De drooglegging is daarmee één van de factoren die invloed heeft op de snelheid van bodemdaling. Ook zorgt veenafbraak voor het vrijkomen van broeikasgassen.

Het is daarom balanceren tussen enerzijds grondgebruik mogelijk blijven maken, en anderzijds (de maatschappelijke kosten van) bodemdaling en uitstoot van broeikasgas uit veen te beperken.

Dit alles overwegende streven we in peilgebieden in het agrarisch veenweidegebied naar 40 cm gemiddelde drooglegging in de zomerperiode – of lager als dat nu al de situatie is. Waar dit het geval is, is het vertrekpunt bij een peilafweging om de peilen aan te passen op basis van de opgetreden bodemdaling. Dit wordt ook ‘peilen indexeren’ genoemd.

Waar de gemiddelde zomerdrooglegging groter is dan 40 cm, is het vertrekpunt om de peilen een periode niet aan te passen aan bodemdaling tot deze drooglegging is bereikt.

Randvoorwaarde bij een keuze voor peilindexatie is dat het niet leidt tot onaanvaardbare, onomkeerbare schade. Denk hierbij aan toename van bodeminstabiliteit, een sterke toename van kwel met een ongewenste samenstelling of tot een onevenredige toename van de kosten ten opzichte van de baten.

Het veenweidegebied van HHSK in 2025

Om de gevolgen van het beschreven beleid op waarde te schatten, hierbij enkele kenmerken van het veenweidegebied van HHSK in 2025

  • De vier grootste peilgebieden in het veenweidegebied van de Krimpenerwaard kennen elk een gemiddelde drooglegging van vlak bij de 40 centimeter.
  • De bodemdaling in deze gebieden de afgelopen jaren is veelal 3 a 4 millimeter per jaar. Dit kan van jaar tot jaar behoorlijk variëren, en heeft er onder meer mee te maken hoe ‘nat’ en hoe ‘droog’ een jaar is en daarmee hoe ver grondwaterstanden uitzakken.
  • Voor enkele peilgebieden in het zuidelijk deel van de Zuidplaspolder is in 2022 onderzocht wat de maatschappelijke kosten en baten zijn van peilindexatie versus het gelijk houden van de waterstand. Vanwege onder meer de toename van het risico op opbarsten van bodems in deze diepe polder zijn de maatschappelijke kosten van peilindexatie daar relatief hoog. Daarom is destijds besloten waterpeilen niet te verlagen aan bodemdaling.
  • In vrijwel alle grotere grotendeels agrarische veenweidepeilgebieden bevinden zich tientallen tot honderden woningen. Dat betreft grotendeels woningen buiten de bebouwde kom, maar ook kernen als Ouderkerk, Berkenwoude, Lageweg en IJssellaan.

In akkerbouwgebied is meestal sprake van een beperkte bodemdaling (klei). Peilaanpassing kan worden overwogen voor zover voor de instandhouding van de functie noodzakelijk is en er geen onacceptabele negatieve gevolgen zijn.

In natuurgebieden streven we bij voorkeur naar een zo ‘natuurlijk’ mogelijk peilregime, dat wil zeggen: hoog in natte perioden (winter) en lager in droge perioden (zomer). Lokale natuurwaarden kunnen leiden tot andere keuzes.

In natuurgebieden in veengebied is ook een zekere drooglegging nodig voor behoud of versterking van de waarden. Bovendien geldt daarbij dat droge omstandigheden kunnen leiden tot relatief veel bodemdaling en uitstoot van het broeikasgas CO2. Erg natte omstandigheden (denk aan grondwaterstanden net onder maaiveld) versterken juist de uitstoot van het broeikasgas methaan.

Daarom hebben we ook voor deze gebieden een richtinggevende drooglegging. In gebieden met veenweidenatuur is het streven gemiddelde droogleggingen van 20 à 30 cm in de zomerperiode.

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op enige schaal is het vooral van belang dat er toekomstbestendig wordt ingericht. Daarbij wordt veelal grond bouwrijp gemaakt. De uitgangspunten uit deze beleidsuitwerking, die uitgaan van een al bestaande situatie zijn dan niet altijd passend. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen heeft HHSK in de beleidsuitwerking inrichting droogleggingsrichtlijnen opgenomen.

Peilbeheer in de watergebiedsvisie van HHSK

Het bestuur van HHSK heeft in 2024 watergebiedsvisies vastgesteld. Deze beschrijvingen de inzet van HHSK bij ontwikkelingen in het gebied en een visie hierop. Een aantal leidende principes uit deze visie hebben ook te maken met keuzes in het peilbeheer, zoals:

  • Gebiedsgericht, integraal en maatwerk
  • Niet afwentelen in tijd, ruimte of van privaat naar publiek
  • Bodem als basis

In de watergebiedsvisies is voor drie delen van het waterschapsgebied een toekomstbeeld voor 2100 en 2040 geschetst. Keuzes voor het peilbeheer in peilbesluiten hebben een kortere doorlooptijd dan van nu tot 2100 en veelal korter dan 2040.
Het is wel van belang om bij keuzes te toetsen en motiveren of ze in lijn zijn met deze langere termijn visies, of deze visie juist verder weg brengen. Voor peilbeheer relevante uitspraken in de lange termijn visies zijn:

  • Schieland-Noord: ‘We hebben de peilen verhoogd, tenzij er zwaarwegende argumenten waren om dat niet te doen. Hogere en flexibele peilen zorgen er mede voor dat we water langer vasthouden, waardoor kwel veel minder invloed heeft dan nu, ondanks de zeespiegelstijging. Van bodemdaling is nauwelijks nog sprake. In bestaande bebouwde gebieden zijn hogere en flexibele peilen een vast onderdeel bij nieuwbouw en herstructurering van gebouwen en wijken. Door de functies aan te passen aan het peil ontstaan veel minder peilvakken.’
  • Capelle en Rotterdam: In de verre toekomst is het algemeen geaccepteerd dat de dynamiek van het weer tijdelijk voor hogere waterstanden kan zorgen. Het stedelijk gebied is daar ook op ingericht. Bij hevige regenval staat in verschillende waterbergingen en groenvoorzieningen tijdelijk enkele decimeters water. Het gebied en de kunstwerken van het waterschap zijn ingericht op natte omstandigheden. Het waterpeil volgt de natuurlijke dynamiek en beplanting is bestand tegen droge omstandigheden en beperkte verzilting.
  • Krimpenerwaard: ‘Het watersysteem zal zich mee moeten ontwikkelen met het veranderende klimaat. Hevigere buien kunnen leiden tot meer wateroverlast. Er zullen keuzes gemaakt moeten worden of en waar er robuustheid ten opzichte van wateroverlast ingeleverd gaat worden ten behoeve van andere doelen zoals droogtebestrijding en het tegengaan van bodemdaling. Met name aan de randen van het gebied varieert de grondslag waardoor de bodem ongelijkmatig daalt.

4.2 Peilverlaging, peilaanpassing en grenzen aan het peilbeheer

Onder peilverlaging verstaan we: een verlaging van het waterpeil, sterker dan de bodemdaling. Dit betekent dus een vergroting van de drooglegging. Dat versterkt de bodemdaling.

Peilverlaging passen we in principe niet toe. Dit vanwege de kans op toename van bodemdaling.

Alleen waar een peilverlaging onderdeel uitmaakt van een groter maatregelpakket dat per saldo gunstig is voor het watersysteem, bijvoorbeeld door het samenvoegen van peilgebieden, kan een zekere peilverlaging worden overwogen.

Peilaanpassingen in verband met de maaivelddaling beperken we met het oog op de lange-termijn effecten tot een verantwoord minimum. We gaan er vanuit dat de eigenaren en gebruikers in de eerste plaats zelf doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de bodemdaling te beperken of te compenseren; denk aan zaken als goed bouwrijp maken en inrichten, tijdig ophogen, effectief draineren of infiltreren, verstandig omgaan met bodembewerkingen, de inzet van geschikt materieel, goede funderingen, etc. Peilaanpassingen aan bodemdaling worden bij voorkeur gefaseerd in stappen van 1 cm doorgevoerd, om te voorkomen dat schade door plotselinge grote verandering optreedt.

In bepaalde situaties lopen we aan tegen de grenzen van het peilbeheer. Bijvoorbeeld doordat bij een verdergaande peilaanpassing de (water-)bodem verregaand instabiel zou worden, en/of een ongewenste versterking van de kwel optreedt. Dit leidt tot hoge maatschappelijke kosten. Bij zulke hoge maatschappelijke kosten van peilaanpassing, passen we peilen niet meer aan.

Waar dit op korte of langere termijn het geval is brengen we dit onder de aandacht van de desbetreffende belanghebbenden en instanties, zodat die hiermee rekening kunnen houden in het gebruik, de functietoekenning en de ontwikkeling van het gebied. De partijen zijn dan gezamenlijk aan zet om een duurzame toekomststrategie voor het desbetreffende gebied te ontwikkelen en uit te voeren.

4.3 Peilgebieden en peilscheidingen

Het vaststellen van de begrenzing van peilgebieden is onlosmakelijk verbonden met de peilafweging. We streven naar vergroting van de veerkracht en doelmatigheid van het watersysteem door niet onnodig veel peilgebieden te creëren en de totale lengte aan peilscheidingen beperkt te houden.

Praktische uitgangspunten voor peilgebieden en peilscheidingen zijn:

Omvang peilgebieden - Aan de hand van hoogtecijfers, grondgebruik, hydrologische berekeningen, praktijkervaringen en andere informatie zoeken we naar een goede balans tussen de omvang en begrenzing van het peilgebied, het peilregime en de betrokken belangen. Daarbij besteden we ook aandacht aan de gevolgen voor de bodemdaling, kwel en bodemstabiliteit.

Het ideaalbeeld zijn peilgebieden van ongeveer 500 tot 1000 hectare. Vergeleken met kleine peilgebieden zijn grote peilgebieden minder kwetsbaar voor overlast door intensieve neerslag. Ook zijn ze doelmatiger te beheren en vormen zij een robuuster ecologisch leefgebied. In praktijk is deze peilgebiedsgrootte vanwege onder meer verschillen in hoogteligging en intensief ruimtegebruik lang niet overal haalbaar. Wel onderzoeken we binnen een peilbesluitproces of peilgebieden samengevoegd kunnen worden.
Verschillen in functie, drooglegging en het daaraan gekoppelde systeemgedrag kunnen aanleiding zijn om een herverdeling van peilgebieden of een splitsing van een groot peilgebied te overwegen.

Peilscheidingen en kunstwerken - De begrenzing tussen peilgebieden wordt gevormd door hoge percelen, gronddammen, keerwanden, stuwen en gemalen. De peilscheidingen moeten het maximale waterpeil kunnen keren, zodat de bergingscapaciteit wordt benut en geen afwenteling plaatsvindt naar andere peilgebieden. Bij het ontwerp van de peilscheidingen en kunstwerken betrekken we ook de kosten van inrichting, beheer en onderhoud. Water- en energieverlies wordt zoveel mogelijk beperkt.

Watergangen - Het water van en naar een peilgebied wordt in principe altijd aan- en afgevoerd via een hoofdwatergang. De inlaten, gemalen en stuwen staan in of aan die hoofdwatergang. HHSK onderhoudt de hoofdwatergangen en peilregelende kunstwerken, waardoor het peilbeheer zo goed mogelijk wordt gegarandeerd.

4.4 Structurele wijzigingen in verband met functieveranderingen

Structurele aanpassen van het grondgebruik, bijvoorbeeld de aanleg van een woonwijk, kunnen vragen om een structureel ander peilbeheer. Dit vraagt een brede integrale afweging, met bestuurlijke vaststelling.

Structurele aanpassingen van het peil en/of peilgebieden vanwege ruimtelijke ingrepen worden bij voorkeur voor realisatie vastgelegd in het peilbesluit, op basis van een integraal waterhuishoudkundig plan. Deze procedure biedt passende rechtszekerheid aan belanghebbenden.

Bij een peilbesluit van een nieuwe ontwikkeling is er ook oog voor de gefaseerde ontwikkeling van een gebied en mogelijke gefaseerde instelling van waterstanden.

In sommige situaties kan tijdens realisatie van een ruimtelijke ontwikkeling de keuze gemaakt worden dat de ontwikkelaar van een gebied tijdelijk het peilbeheer uitvoert. Dit kan het geval zijn als bijvoorbeeld de aanleg of het saneren van dammen, duikers en stuwen sterk samenhangt met de herinrichting van de gehele openbare ruimte, wat veelal tijdens de realisatie enige flexibiliteit vereist. Het peilbesluit herhaaldelijk op relatief kleine onderdelen aanpassen is dan niet doelmatig.

Bij zo’n ontwikkeling waarbij waterpeilen verhoogd en/of peilgrenzen verlegd worden, is het mogelijk dat de ontwikkelaar een vergunning voor de tijdelijke situatie aanvraagt op basis van de beleidsregel afwijkende peilen. Afhankelijk van de omvang en de complexiteit kan hierbij ook een bestuurlijk vastgesteld waterhuishoudingsplan vereist worden, zodat de basiskeuzes bestuurlijk zijn vastgesteld, en er enige flexibiliteit in de uitvoering mogelijk blijft. Zie ook paragraaf 4.6 van deze beleidsuitwerking.

Voor de kosten van aanpassing van het watersysteem geldt het kostenveroorzakingsbeginsel. Dit houdt in dat de ontwikkelaar van de aanpassing ook aan zet is – binnen de randvoorwaarden die HHSK aangeeft – om een regeling te treffen met de betrokkenen, met eventuele afspraken over vergoedingen en compenserende maatregelen.

Dit geldt ook voor ingrepen waarbij het watersysteem anders gaat functioneren en er gevolgen zijn voor het peilbeheer. Denk bijvoorbeeld aan grootschalige uitrol van systemen om grondwaterstanden actief te beheren (waterinfiltratie-systemen, drainage-infiltratie-rioleringen). Ook dan geldt het kostenveroorzakersbeginsel: HHSK verwacht dat de ontwikkelaar ook zorgt voor of een vergoeding geeft voor benodigde aanpassingen aan het watersysteem (bijvoorbeeld vergroting van inlaatcapaciteit of inlaatroutes).

4.5 Bestaande afwijkende waterpeilen

Belang van afwijkende peilen

Afwijkende peilen zijn waterpeilen die afwijken van het peilbesluit. Meestal gaat het om relatief kleine gebiedjes waar een hoger of lager peil wordt gehandhaafd door de lokale belanghebbenden.

Afwijkende lagere peilen noemen we onderbemalingen, afwijkende hogere peilen noemen we opmalingen of hoogwatervoorzieningen. Ook zijn er de zogeheten tussenpeilen of ‘opgehouden peilen’. Dit betreft peilgebieden die water ontvangen vanuit een hoger direct aangrenzend peilgebied, en water afvoeren naar een lager direct aangrenzend peilgebied.

Er zijn anno 2025 meer dan 500 afwijkende peilen in het gebied van HHSK. Enkele tientallen betreffen onderbemalingen. Ook zijn er tientallen opmalingen met een gemaaltje of windmolen. Het overgrote deel van de afwijkende peilen betreft ‘tussenpeilen’.

Afwijkende peilen kunnen van belang zijn om het peil af te stemmen op individuele belangen en situaties. Anderzijds vergroten afwijkende peilen de complexiteit en kwetsbaarheid van het watersysteem. Ze kunnen leiden tot ongelijke bodemdaling binnen een peilgebied, tot verlies van water en tot extra energieverbruik voor de bemaling. Ook vormen de stuwtjes etc. barrières voor de water aan- en afvoer en de verspreiding van planten en dieren, onder andere voor de vistrek.

HHSK dringt bestaande afwijkende peilen zoveel mogelijk terug en zorgt voor een doelmatige regulering van de resterende.

Dit gebeurt veelal in samenhang met de heroverweging van een peilbesluit, zodat de wisselwerking tussen (grotere) peilgebieden en afwijkende peilen in samenhang worden beschouwd.

Waar het belang van een afwijkend peil is vervallen (oude bebouwing gesloopt, funderingen vervangen, functie of gebruik gewijzigd, etc.) en/of de nadelige gevolgen onaanvaardbaar zijn in verhouding tot het belang, wordt het afwijkende peil opgeheven. De sanering wordt in overleg eventueel gefaseerd uitgevoerd, om zettingen of schade te voorkomen of aan te sluiten bij andere werkzaamheden.

Resterende afwijkende peilen worden waar mogelijk gereduceerd (verkleind, verlaagd bij hogere peilen of verhoogd bij onderbemalingen) en/of samengevoegd. Aanpassingen aan een afwijkend peil moet de verantwoordelijke zelf (laten) uitvoeren; dat geldt ook voor de uitvoering van eventuele alternatieve maatregelen.

Afwijkend peil of peilgebied?

In het peilbesluitproces vindt ook een afweging plaats of een gebied waarvan het waterpeil gerechtvaardigd is, beheerd moet worden door derde partij (‘afwijkend peil’) of door HHSK als peilbeheer (peilgebied).

Als op basis van die afwegingen het beheer wordt uitgevoerd door HHSK, vervalt de vergunning aan een derde en wordt het peilbeheer na het maken van afspraken met de (voormalig) vergunninghouder overgenomen door HHSK.

Vuistregels voor toekenning van de status peilgebied zijn:

  • oppervlakte meer dan 40 ha; of
  • meer dan 10 belanghebbenden; of
  • relevant maatschappelijk belang. Dat relevante belang kan ook buiten het gebied liggen, zoals een doorvoerfunctie voor andere peilgebieden.

Vooral in de polders in het Schielandse deel van het beheergebied zijn er verschillende afwijkende peilen waar sprake is van (veel) meer dan 10 belanghebbenden, of diverse uiteenlopende belangen bij één peilgebied. Vanaf 2022 neemt HHSK in een aantal voormalige afwijkende peilen bediening over van gemeenten of particulieren. Dit vraagt veelal specifieke afspraken. Verwacht wordt dat op basis van dit beleid ook in de komende jaren voor een aantal gebieden het beheer overgaat van gemeente of particulier naar HHSK.

Als een afwijkend peil de status afwijkend peil blijft behouden, vindt beoordeling van de situatie plaats op basis van de beleidsregel afwijkende peilen. Als op basis van die beleidsregel vergunning kan worden verleend, houdt HHSK vervolgens toezicht op het peilbeheer. HHSK kan de vergunning intrekken als het peilbeheer niet wordt uitgevoerd volgens de vastgestelde bepalingen.

Criteria voor toestaan bestaande onderbemalingen

HHSK is terughoudend in het in stand houden van bestaande onderbemalingen, onder meer omdat deze bestaande hoogteverschillen in het landschap verder versterken. Daarom zijn in de beleidsregel afwijkende peilen specifieke criteria opgenomen op basis waarvan bestaande onderbemalingen zijn toegestaan. Wordt niet voldaan aan deze criteria, dan wordt de onderbemaling ofwel verondiept tot deze wel voldoet, ofwel wordt de vergunning ingetrokken.

In het verleden zijn hogere afwijkende peilen (incl. tussenpeilen) niet altijd vergunningplichtig geweest. Ook zijn er tal van situaties zonder vergunning ontstaan, ondanks dat vergunningplicht van toepassing was. Daarom heeft een aanzienlijk deel van de aanwezige bestaande afwijkende peilen geen individuele vergunning.

HHSK zal in de toekomst tijdens peilbesluitprocessen ook de afwijkende peilen beoordelen op basis van dit beleid en de beleidsregel afwijkende peilen. Voor afwijkende peilen die gehandhaafd kunnen worden, worden individuele vergunningen verleend. De betrokkenen worden hier vooraf over geïnformeerd.

4.6 Nieuwe afwijkende waterpeilen

Nieuwe structurele of langdurige onderbemalingen (afwijkende lagere peilen) staat HHSK niet toe.

Tijdelijke onderbemalingen van het oppervlaktewater voor werkzaamheden worden binnen strikte voorwaarden toegestaan.

Deze voorwaarden zijn uitgewerkt in de beleidsregel voor afwijkende peilen.

Aanvragen voor nieuwe opmalingen en tussenpeilen nemen we alleen in overweging waar deze noodzakelijk zijn om onevenredige schade aan voorzieningen en belangen te voorkomen. Bij dit laatste moet dan ook vaststaan dat dit niet tegen aanvaardbare kosten met andere middelen kan worden opgelost.

Nieuwe afwijkende peilen mogen niet ten koste gaat van andere (grotere) belangen. De voorwaarden waaraan hierbij getoetst worden, zijn opgenomen in de beleidsregel voor afwijkende peilen.

4.7 Peilbeheer, risico’s en schade

De Nota Watersystemen bevat algemene uitgangspunten voor de risico’s en aansprakelijkheid van verschillende partijen. De eigenaren en gebruikers van gronden, gebouwen en andere voorzieningen dragen in de eerste plaats zelf het risico voor de gevolgen van bodemdaling en peilaanpassing, voor zover die inherent zijn aan de situatie en het gebied. HHSK beoordeelt de effecten van eventuele peilwijzigingen tijdens het herzien van een peilbesluit en streeft ernaar om risico’s op schade zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 15 van de Omgevingswet vormt de wettelijke basis van de omgang met schade mocht toch schade optreden.

Waterstandswijzigingen kunnen invloed hebben op grondwaterstanden, wat weer invloed kan hebben op zowel de kans op onder meer vochtproblemen, als risico’s voor droogstand van funderingen.

HHSK gaat in het kader van een peilbesluit als volgt mee om:

  • Waar ‘bebouwing’ de hoofdfunctie vormt (stedelijk gebied), wordt het peilregime daar zo goed mogelijk op afgestemd. In de praktijk betekent dit veelal: langjarige fixatie van het peil. Tuinen, wegen en andere terreinen worden door de eigenaren, gebruikers of beheerder opgehoogd als de functie of hun belang dat vergt.
  • Waar de bebouwing in een aaneengesloten deel van het stedelijke gebied zetting vertoont, bijvoorbeeld in oude stadskernen, kan een zekere peilindexering worden overwogen. In hoeverre dit mogelijk is hangt mede af van het lange-termijn perspectief en mogelijke schade aan andere gebouwen (houten paalkoppen), voorzieningen (riolering, sluizen, bruggen, etc.), scheepvaartbelangen, etc.
  • Bij bebouwing in (peil-)gebieden met een andere hoofdfunctie is de hoofdfunctie in de eerste plaats bepalend voor het peilregime. Onder meer in agrarisch veenweidegebied kan dit een mate van peilaanpassing in verband met de bodemdaling betekenen. Belanghebbenden bij een andere keuze voor het waterpeil rondom hun eigendom zijn in eerste instantie zelf aan zet om eventuele voorzieningen te treffen, binnen de randvoorwaarden van HHSK (bijvoorbeeld een opmaling, zie par. 4.6). Voor aaneengesloten bebouwing kan HHSK overwegen om een apart peilgebied in te stellen, afhankelijk van de maatschappelijke kosten en baten en voor zover dat geen onaanvaardbare nadelen heeft voor andere belangen, waaronder het waterbeheer.

5. Uitgangspunten voor uitvoering van het peilbeheer

5.1. Invulling van het peilbeheer

Artikel 2.41 van de Omgevingswet beschrijft hoe het waterschap het peilbeheer dient in te vullen: ‘Een peilbesluit voorziet in de vaststelling van waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, die gedurende daarbij aangegeven perioden of omstandigheden zoveel mogelijk in stand worden gehouden.’

Juridisch gezien betekent dat een inspanningsverplichting. In bepaalde situaties is het onvermijdelijk dat tijdelijk de waterstand niet aan het peilbesluitniveau voldoet, bijvoorbeeld bij grote hoeveelheden regen. Het waterschap spant zich dan in om door inzet van gemalen en stuwen de waterstand weer terug te brengen naar het peilbesluitniveau. De hierbij gewenste inrichting van het watersysteem, is beschreven in de beleidsuitwerking inrichting.

Naast afwijkingen in de tijd, kunnen er binnen een peilgebied ook ruimtelijke verschillen zijn in hoeverre de waterstand voldoet aan het peilbesluit. Het is denkbaar dat op eenzelfde moment in sommige delen van het gebied de waterstand op peilbesluitniveau is, en op een ander punt hoger of lager. Vaak heeft dit te maken met stroming: water stroomt van hoog naar laag waardoor bij een draaiend gemaal de waterstand lager is dan meer bovenstrooms. Ook kan wind zorgen voor ‘scheefstand’ van de waterspiegel.

In het peilbesluit is beschreven dat een belanghebbende rekening dient te houden met tijdelijke peilfluctuaties rondom het na te streven peil. Dit wordt ook ‘beheermarge’ genoemd.

Het waterschap kan sturing inzetten om te anticiperen op neerslag, droogte of wind. Hierbij wordt tijdelijk van het peilbesluit afgeweken om de kans op afwijkingen die schade of overlast veroorzaken te verkleinen. Zo kan bijvoorbeeld het peil preventief en tijdelijk verlaagd worden als er veel regen wordt voorspeld, of kan in natte perioden het water in een bovenstrooms gelegen peilgebied worden vastgehouden of met beperkte capaciteit te worden afgevoerd om het risico op wateroverlast in lager gelegen peilgebieden te beperken.

Dit soort afwijkingen zijn van relatief korte duur (enkele uren tot dagen), om te vermijden dat ze zelf tot overlast of schade leiden. Gestreefd wordt om het aantal situaties waarin deze bewuste tijdelijke afwijkingen voorkomen, beperkt te houden.

Bij calamiteiten is HHSK op basis van een bestuurlijk besluit bevoegd om af te wijken van de in het peilbesluit de bovengenoemde marges. Bij welke calamiteiten dit het geval is en in welke situaties, is vastgelegd in het calamiteitenhandboek van HHSK.

5.2. Peilbeheer en sturingskeuzes

Peilbeheer is het op het niveau houden of brengen van de waterstand door sturing. De mate van sturing hangt af van de weersomstandigheden. De sturing, dus het via gemalen, stuwen en inlaten verplaatsen van water, beïnvloedt ook de waterkwaliteit; ecologisch en chemisch.

Een aantal gebieden kent verschillende aan- en/of afvoerroutes. Hierin maken we keuzes. Hoe we omgaan met flexibel peilbeheer, is per peilgebied beschreven in het peilbesluit.

Een aantal algemene sturingsprincipes in het waterbeheer is opgenomen in de nota watersystemen. Bij de uitvoering van ons peilbeheer passen we de volgende sturingsprincipes toe:

  • Problemen en nadelige effecten mogen niet worden afgewenteld naar de toekomst (afwenteling in tijd) of naar andere plaatsen (afwenteling in ruimte). Dit houdt in dat we afvoer of aanvoer kunnen beperken om te voorkomen dat er in het benedenstroomse gebieden problemen ontstaan. Ook kan het er toe leiden dat we bepaalde afvoer- of aanvoerroutes niet gebruiken als er alternatieven zijn, om onnodig transport van milieubelastende stoffen of schadelijke exoten, in het bijzonder naar kwetsbare wateren en gebieden, te voorkomen.
  • We houden de maatschappelijke kosten van het waterbeheer beperkt. Dit speelt vooral in rechtstreeks door een gemaal bemalen gebieden. De kosten per eenheid water kunnen hoog zijn als een gemaal vaak een zeer korte periode draait. We kiezen er dan voor om een bepaalde hoeveelheid water te ‘sparen’, zodat per maalbeurt een wat groter volume water wordt weggemalen tegen lagere eenheidskosten.
  • We houden stroomsnelheden door bemaling wanneer het kan beperkt, om schade aan oevers te voorkomen.
  • We houden ‘schoon’ water zoveel mogelijk gescheiden van ‘vuil’ water. Dit kan bijvoorbeeld als consequentie hebben dat we voor bepaalde gebieden water via een langere wateraanvoerroute aanvoeren, indien het gehalte voedingsstoffen of zouten lager is dan van het meest nabijgelegen gebied van waaruit ingelaten kan worden.
  • We beperken waar mogelijk toename van emissies van ongewenste stoffen door ons peilbeheer. Snelle structurele peilveranderingen kunnen leiden tot tijdelijke verhoogde uitspoeling van stoffen vanuit de bodem naar het oppervlaktewater, of tot afkalving van veenoevers. Deze effecten proberen we te beperken, bijvoorbeeld door een gestage peilverandering.
  • Voor waterinlaat in tijden van neerslagtekort zijn we afhankelijk van rivierwater. We proberen daarbij het onnodig inlaten van water met hoge zoutgehaltes te voorkomen. Voor het stroomgebied van de Rotte laten we bij voorkeur water uit de Nieuwe Maas in. De Nieuwe Maas is gevoelig voor verzilting. We laten bij chloridegehaltes hoger dan 600 mg/l in de Nieuwe Maas geen rivierwater meer in. Dan schakelen we over op alternatieve aanvoer: aanvoer vanuit de Hollandsche IJssel, via de Ringvaart, via een polderwatergang naar de Rotte. Of aanvoer vanuit het gebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, via de Bergsluis.
    Deze laatste route is ook onderdeel van de Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA), waarover vier waterschappen en Rijkwaterstaat bestuurlijke afspraken hebben vastgelegd.
    Voor ons gebied dat gevoed wordt door Ringvaart benutten we water uit de Hollandsche IJssel. Dit wordt hoofdzakelijk ingelaten bij de Snelle Sluis bij Moordrecht. Hier is enige kans op verzilting. Samen met andere waterbeheerders (Rijkswaterstaat, Rijnland en De Stichtse Rijnlanden) beheren we de bovenloop van de Hollandsche IJssel als een zoetwaterzone. Bij dreigende verzilting zorgen de waterbeheerders dat de onttrekking in evenwicht is met wateraanvulling. Afspraken hierover zijn vastgelegd in het waterakkoord Hollandsche IJssel en Lek.
    HHSK kan bijdragen aan de zoetwaterzone door water vanuit de Lek door de Krimpenerwaard naar de Hollandse IJssel te voeren. Hier zijn bestuurlijke afspraken over gemaakt (waterakkoord KWA-DKW).
    De Krimpenerwaard kan water inlaten vanuit de Lek. De kans op verzilting van de Lek is klein. Mogelijke schade als de Lek toch verzilt is groot, voor zowel waterschappen als drinkwaterbedrijven. Daarom wordt in tijden van dreigende verzilting ook de Lek beheerd als een zoetwaterzone. Hier ligt een rol voor de waterschappen en Rijkswaterstaat, via de bediening van de stuw bij Hagestein. Afspraken hierover zijn vastgelegd in het waterakkoord Hollandsche IJssel en Lek.
    Vanuit duurzaamheidsoogpunt benutten we de alternatieve aanvoeren enkel indien er geen alternatieven zijn: als er rivierwater van voldoende kwaliteit rechtstreeks ingelaten kan worden, heeft dat onze voorkeur.
  • Bij onvoldoende water van de juiste kwaliteit is de landelijke verdringingsreeks waterverdeling van kracht. Deze is vastgelegd in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit houdt in dat water ten behoeve van waterveiligheid en het voorkomen van onomkeerbare schade (‘categorie 1’) prioriteit heeft boven water voor nutsvoorzieningen (‘categorie 2’). Deze functies gaan weer boven water voor zogenoemd ‘kleinschalig hoogwaardig gebruik’ zoals kapitaalintensieve gewassen (‘categorie 3’), wat weer boven water voor overige functies gaat (‘categorie 4’). Daarbij wegen we ook de risico’s van water van onvoldoende kwaliteit (bv. te zout water) af tegen de risico’s van het geheel niet aanvoeren van water.
    Opgemerkt wordt dat de verdringingsreeks een crisisinstrument is, dat enkel bedoeld is om te sturen tijdens periodes van watertekort.

6. Instrumenten voor uitvoering van ons beleid

Een goed peilbeheer in een goed functionerend watersysteem vraagt doorwerking in instrumenten en een goede samenwerking tussen bevoegd gezagen voor ruimtelijke ordening en waterbeheer. Het doel van dit hoofdstuk is om aan te geven welke instrumenten we gebruiken om dit te bereiken.

Waterschapsverordening

Het doel van de waterschapsverordening is het beschermen van het watersysteem en het mogelijk maken en houden van werken, wonen en recreëren in ons beheergebied. De waterschapsverordening bevat de regels van het waterschap over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, waterkeringen, zuiverings-technische werken en de wegen die in beheer zijn bij het waterschap.

Beleidsregels

Onze beleidsregels zijn bedoeld om elke vergunningaanvraag op dezelfde, transparante manier te beoordelen en de burger/initiatiefnemer duidelijkheid te bieden. Een beleidsregel beschrijft ons handelen bij het nemen van besluiten: de afweging van belangen, het vaststellen van de feiten en de uitleg van wettelijke voorschriften. Beleidsregels zijn een zelfbindend instrument.

Voor het peilbeheer is de beleidsregel voor afwijkende peilen van direct belang.

Peilbesluiten

Ons te voeren peilbeheer leggen we vast peilbesluiten, die door het algemeen bestuur worden vastgesteld. Het peilbesluit doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij het opstellen van peilbesluiten passen we participatie toe, op basis van onze nota participatie (2020). Dit gebeurt op het niveau ‘raadplegen’. HHSK heeft de regie over het proces, en biedt betrokkenen gelegenheid hun mening geven over het peilbeheer. HHSK stelt vervolgens een plan op. De rol van de participant is die van geconsulteerde. HHSK weegt de inbreng van geconsulteerden, en stelt hen op de hoogte van het resultaat.

Plannen in het waterbeheer

Ook zijn er relaties tussen het peilbeheer en plannen om de waterstaatkundige toestand te verbeteren ofwel in stand te houden. Voorbeelden zijn ons programma wateroverlast, programma watervoorziening en KRW programma. Ook kan peilbeheer aan bod komen bij plannen van derden, zoals gemeentelijke waterplannen of waterhuishoudkundige plannen voor de inrichting van een gebied Daarbij blijft het peilbesluit leidend voor het te voeren peilbeheer, en kunnen andere plannen aanleiding geven tot heroverweging van een peilbesluit.

Onderhoudsverordening en Legger

Om goed peilbeheer te voeren, is een goed functionerend watersysteem en onderhoud van dat watersysteem nodig. Hoe HHSK het onderhoud uitvoert, is beschreven in de beleidsuitwerking onderhoud. Voor specifieke regelgeving is er de Onderhoudsverordening en de legger, waarin is onder meer is opgenomen wie de onderhoudsplichtige van een deel van het watersysteem is en wat de onderhoudsverplichting inhoudt.

In peilbesluiten wordt ook het zogenaamde schouwpeil vastgesteld. Dat is het referentieniveau van het water voor onderhoud en vergunningverlening. In de legger, die beschrijft hoe diep watergangen tenminste moeten zijn, wordt verwezen naar dit schouwpeil. De combinatie van schouwpeil en leggerdiepte geeft aan tot hoeverre bijvoorbeeld een watergang gebaggerd wordt.

Advies en kennis

Het waterschap investeert en deelt de kennis van het watersysteem. We stellen duidelijke toelichtingen op de peilbesluiten op en zorgen dat deze goed vindbaar zijn via onze website. Ook zorgen we dat onze waterstandsmetingen via internet gedeeld worden.
Via gebiedsprocessen en contacten met belanghebbenden en/of initiatiefnemers delen we onze kennis en motivatie voor het peilbeheer. We hebben oog voor belangen en maatschappelijke ontwikkelingen en staan open voor heroverweging. Op deze wijze willen we bodem en water mede sturend maken in de ruimtelijke ordening.

Begrippenlijst

Afwijkend peil:

Een afgebakend gedeelte van een peilgebied waarvoor een watervergunning van toepassing is voor een van het peilbesluit afwijkend waterpeil. Dit kan een opmaling of hoogwatervoorziening zijn bij een hoger peil. Of een onderbemaling bij een lager peil. Ook “peilafwijking” genoemd.

Bandbreedte:

Het verschil tussen een boven- en ondergrens, bijvoorbeeld bij een flexibel waterpeil.

Beheermarge:

De beheermarge is de tijdelijke afwijking van het waterpeil in een peilgebied die optreedt als gevolg van natuurlijke verschijnselen en ingrepen die nodig zijn om het streefpeil te handhaven. Voorbeelden hiervan zijn: tijdelijk verhang door aan- en uitzetten van het gemaal, verhoging van het waterpeil tijdens wateraanvoer of door opwaaiing of afwaaien.

Bodemdaling:

De mate waarin de bovenkant van de bodem daalt in een bepaalde tijd. Diverse processen kunnen de daling veroorzaken. Ook "maaivelddaling” genoemd.

Drooglegging:

Het hoogteverschil tussen het waterpeil in een waterloop en het naastgelegen grondoppervlak/maaiveld.

Flexibel peil:

Een peilregime waarin een waterstand tussen een vastgestelde onder- en bovengrens wordt nagestreefd. Dit kan op verschillende manieren ingevuld worden.

Fundering op staal:

Een funderingswijze waarbij de muren of wanden rechtstreeks op de bodem rusten. Dit in tegenstelling tot een fundering op palen, waarbij de muren via palen op een diepere laag rusten.

Hoogwatervoorziening:

Vergunde peilafwijking waar een hoger waterpeil wordt gevoerd dan in het vastgestelde peilgebied. Ook “opmaling” genoemd.

Indexatie:

Geleidelijke aanpassing van het waterpeil aan een verandering, zoals de maaivelddaling. Ook “peilindexatie” genoemd.

Maaivelddaling:

De mate waarin de bovenkant van de bodem daalt in een bepaalde tijd. Diverse processen kunnen de daling veroorzaken. Ook “bodemdaling” genoemd.

Onderbemaling:

Vergunde peilafwijking waar een lager waterpeil wordt gevoerd dan in het vastgestelde peilgebied. 

Ontwateringsdiepte:

Het verschil tussen het maaiveld (bovenzijde grond) en de grondwaterstand op dat punt.

Opmaling:

Vergunde peilafwijking waar een hoger waterpeil wordt gevoerd dan in het vastgestelde peilgebied. Ook “hoogwatervoorziening” genoemd.

Peil:

Hoogte van het oppervlaktewater ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil). Ook “waterpeil” genoemd.

Peilafweging:

Afweging op welke hoogte het waterpeil ingesteld moet worden.

Peilafwijking:

Zie: “afwijkend peil”.

Peilbeheer:

Inspanningsverplichting voor het beheren van de waterstand van het oppervlaktewater in een bepaald gebied, gericht op het handhaven van het vastgestelde peilregime of waterhoogte binnen de vastgestelde bandbreedte.

Peilbesluit:

Besluit van een waterschap over de hoogte van het waterpeil.

Peilbesluitgebied:

Het gebied waar een besluit van een waterschap over de hoogte van het waterpeil in oppervlaktewater van kracht is.

Peilgebied:

Een peilgebied is een waterstaatkundige eenheid waarbinnen hetzelfde waterpeil of peilregime wordt beheerd.

Peilfixatie:

Het gelijk houden van het waterpeil ten opzichte van NAP, ook als er sprake is van maaivelddaling.

Peilindexatie:

Geleidelijke aanpassing van het waterpeil aan een verandering, zoals de maaivelddaling. Ook “indexatie” genoemd.

Peilscheiding:

Een object (zoals een dam) dat oppervlaktewater tegenhoudt, zodat het niet naar een peilgebied met een lager peil kan stromen.  Peilscheidingen hebben over het algemeen een kleinere kerende hoogte dan waterkeringen.

Schouwpeil:

In het peilbesluit vastgesteld peil dat het referentieniveau vertegenwoordigd voor het voeren van de schouw, het afhandelen vergunningen en het uitvoeren van onderhoud aan watergangen. Bij een flexibel peil wordt in het algemeen uitgegaan van de ondergrens.

Vast peil:

Een peilregime waarbij één waterpeil wordt nagestreefd.

Waterkering:

Een object (zoals een dijk of dam) dat oppervlaktewater tegenhoudt, zodat het niet naar lager liggend land kan stromen.

Waterpeil:

Zie: “peil”

Waterstand:

Hoogte van het oppervlaktewater op een bepaald moment ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil).