Antwoorden op veelgestelde vragen over RDKW
Het doel van de robuuste doorvoerroute is om tijdens droge perioden te zorgen voor een buffer van zoet water in de Hollandsche IJssel. Deze buffer houdt zouter water vanuit zee tegen en zorgt dat inlaatpunten van Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (Snelle Sluis) en het Hoogheemraadschap van Rijnland (Boezemgemaal Gouda) zoet blijven. Hierdoor kunnen beide hoogheemraadschappen zoet water in blijven laten in hun gebied. Het project lost dus niet direct een probleem op in de Krimpenerwaard, maar kan ervoor zorgen dat ook in het westen van Nederland voldoende zoetwater beschikbaar is.
De kosten voor de aanleg/inrichting van de doorvoerroute komen voor rekening van het Rijk (50%) en de hoogheemraadschappen van Rijnland (25%) en van Schieland en de Krimpenerwaard (25%).
Tijdens dit project worden ook bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de beide hoogheemraadschappen over de toekomstige exploitatie- en beheerskosten van de robuuste doorvoerroute Krimpenerwaard.
Voor grootschalige maatregelen in de rivieren wordt verwezen naar de voorkeursstrategie van het Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden: Voorkeursstrategie Rijnmond-Drechtsteden | Gebieden | Deltaprogramma. IN 2026-2027 wordt de voorkeursstrategie herijkt op basis van onderzoek naar zeespiegelstijging. Voorlopig zijn grootschalige en dure maatregelen zoals het afdammen van rivierarmen niet doelmatig.
Het gebruik van de Dunea Duinwaterleiding voor andere doeleinden dan drinkwatervoorziening is geen realistisch alternatief. Dunea heeft deze leiding hard nodig voor de aanvoer van voldoende drinkwater in haar leveringsgebied. Zie: Drinkwater voor de toekomst (dunea.nl). De kosten voor de aanleg van een extra doorvoerleiding zijn geraamd en blijkt vele malen duurder.
Nee, dit is helaas geen mogelijkheid om als maatregel mee te nemen. Bij de berekeningen is namelijk al vanuit gegaan dat de hoofdwatergangen op de gewenste onderhoudsdiepte en, indien nodig, gebaggerd zijn.
De effecten van een eventuele tijdelijke peilverhoging worden in kaart gebracht. Hierbij wordt ook gekeken naar de effecten op oeverkanten, als gevolg van het vertrappen van oevers door drinkend vee, het minder kunnen uitrijden van mest, grotere kans op afkalving door bredere watergangen.
De verwachting van agrariërs is dat de tijdelijke peilverhoging geen effect heeft op grondwaterstanden in het perceel. Wel zijn er zorgen geuit over de impact voor de grondeigenaren en de opgave voor verhoging van de grondwaterstand (tegengaan CO2-emissies en bodemdaling) en de bemestingsvrije zones die groter worden langs een hoofdwatergang e.d.
De huidige inlaatcapaciteit is niet groot genoeg om zowel aan de gewenste doorvoer én de watervraag voor de Krimpenerwaard te voorzien. De inlaatcapaciteit is afhankelijk van het getijde op de Lek en komt op ongeveer 7,5 m3 per seconde bij gemaal Krimpenerwaard. Bij een piekwatervraag in de Krimpenerwaard is de huidige capaciteit van de inlaat te beperkt om naast de waterbehoefte van de Krimpenerwaard ook nog voldoende op de Hollandsche IJssel te zetten voor de zoetwaterbuffer. HHSK voert in dit project ook een verkenning uit naar mogelijkheden voor uitbreiding van de inlaatcapaciteit bij gemaal Krimpenerwaard.
Dit is momenteel nog niet bekend. De eventuele effecten op de leiding van de Gasunie moeten nog nader worden onderzocht.
Het is mogelijk om de Elserwetering mee te laten stromen door de peilgrens te verleggen maar het huidige watersysteem is te beperkt:
- Om de peilgrens te passeren en gebruik te maken van de Elserwetering moet de Tiendwetering in Zuidbroek worden afgesloten van de Elserwetering, evenals andere watergangen die nu met de Elserwetering verbonden zijn;
- De berging die uit het lagere peilvak wordt genomen, moet worden gecompenseerd;
- Er moet een grote in- en aflaat komen in het watersysteem tussen Bergambacht en Zuidbroek;
- Om een behoorlijke hoeveelheid water door Zuidbroek te krijgen zal je een nieuwe watergang naar het noorden moeten graven;
- Hierbij kruisen we de kade waar de gasleiding ligt.
Kortom, we zien het verleggen van de peilgrens niet als een realistische optie. Het zou ontzettend veel geld kosten en weinig toegevoegde waarde hebben, doordat er geen knelpunten worden omzeild.
Ja, dit is mogelijk maar wij voorzien hier toekomstige problemen. Omdat de doorvoerroute voor een langere tijd (zelfs maanden) ingezet moet kunnen worden, bestaat de kans op schade aan oevers. Daarom beogen de waterschappen juist een robuuste doorvoerroute te realiseren, die bij een jaarlijkse inzet van enkele maanden geen problemen en dus schade voor de grondeigenaren oplevert.
Het afdammen zien wij als risicovol, omdat bij onverwacht hevige neerslag deze dammen er niet snel uitgehaald kunnen worden en dan kunnen leiden tot wateroverlast in het gebied.
Wel onderzoeken we de mogelijkheid om op deze trajecten aangrenzende (hoofd)watergangen tijdelijk af te dammen, met flexibel instelbare stuwen, waarmee we indien nodig snel kunnen omschakelen van een doorvoer- naar een afvoersituatie. Hierdoor kunnen we plaatselijk een peilopzet realiseren en het verhang (helling van de waterspiegel) vergroten. Dit heeft een positief effect op de uiteindelijke verbredings-/verdiepingsopgave.
Uit onderzoek is gebleken, dat de afgelopen jaren veel waterplanten in nagenoeg alle watergangen in de Krimpenwaard zijn verdwenen door de aanwezigheid van grote getalen Amerikaanse rivierkreeften. De waterplanten verdwenen eerst in het westen van de Krimpenerwaard en later pas in het oosten. Dit is gelijk aan de verspreiding van de kreeften. Afgelopen jaar is gebleken, dat de waterplanten weer terugkomen na het wegvangen van de kreeften.
Het baggerbeleid van HHSK is al vele tientallen jaren gelijk. Daarbij zijn er grote verschillen in waterdiepte tussen de hoofdwatergangen en de kavelsloten. In het verleden groeiden waterplanten in al deze sloten. In het project “Samen naar schoon water” in peilgebied Bergambacht verschenen juist waterplanten na extra baggeren. Het is daarom niet aannemelijk dat het baggeren zorgt voor verdwijnen van de waterplanten.
In het vaarwegbeleid van HHSK is vastgesteld dat deze verbinding niet op een vaarroute ligt. Daarom wordt dit niet meegenomen in het project. Het realiseren van een nieuwe vaarwegverbinding tussen de polders Bergambacht en Stolwijk valt buiten de beheertaken van HHSK. Daarnaast is het realiseren van een sluis op deze locatie zeer complex in verband met de aanwezige ondergrondse infrastructuur van de Gasunie en dus een zeer kostbare aangelegenheid.
Dit is niet mogelijk. Een extra onderdoorgang onder de N210 is niet wenselijk omdat er al een grote brug is en de kosten van een nieuwe brug niet opwegen tegen de voordelen elders.
Specifiek voor peilverhoging in relatie tot de impact op slootkanten wordt al veel onderzoek gedaan. In het project RDKW nemen we ook de resultaten van deze onderzoeken uit andere projecten mee.
Specifiek voor peilverhoging in relatie tot de impact op slootkanten wordt al veel onderzoek gedaan. In het project RDKW nemen we ook de resultaten van deze onderzoeken uit andere projecten mee.
Nee, dit is niet onderzocht maar is niet realistisch qua kosten en baten.
Dit wordt in de volgende fase verder uitgewerkt. Per locatie wordt bepaald welke oeverbeschoeiing noodzakelijk is. Dat kan een andere beschoeiing zijn dan een wiepenbeschoeiing (takkenbossen).
De breedte van de voorziene natuurvriendelijke oevers is gerelateerd aan de breedte van de aanliggende sloot en KRW doelstellingen. Een breedte van vijf meter is het minimum voor deze brede sloten waar de doorvoerroute doorheen loopt. In polder Kattendijk (NNN deelgebied met aangepast peil) zijn zowel vijf meter brede als drie meter brede oevers aangelegd veelal afhankelijk van de sloot:
- Hoofdwatergangen en verbindingszone: vijf meter
- Kavelsloot: drie meter
Eind 2025 bevinden we ons in de planuitwerkingsfase. We werken het Voorontwerp uit tot een Definitief Ontwerp, voeren veldonderzoeken uit en stellen het ontwerp projectbesluit op.
Eind eerste kwartaal 2026 verwachten wij het ontwerp projectbesluit te publiceren. Rond die tijd organiseren wij een informatiebijeenkomst om dit toe te lichten.
De presentatie en een overzicht van antwoorden op de gestelde vragen kunt u bij ons opvragen via rdkw@hhsk.nl.
Met de vaststelling van het Voorlopig Ontwerp hebben we grotendeels in kaart gebracht welke sloten benut kunnen worden voor een effectieve doorvoer van water uit de Lek naar de Hollandsche IJssel. In de presentatie van de vierde informatie bijeenkomst kunt u meer vinden over de locaties.
We begrijpen uw zorg, u wordt hiervoor volledig gecompenseerd waarbij we zoveel mogelijk rekening houden met de belangen van de grondeigenaren.
We proberen er uiteraard in goed overleg met u uit te komen mochten we u grond nodig hebben. Hierbij houden we zoveel als mogelijk rekening met uw belangen. In het uiterste geval, als dit niet lukt, bestaat de mogelijkheid dat er een onteigening wordt afgedwongen vanwege het grote algemene belang van de doorvoerroute.
Het benodigde baggerwerk om de sloten op diepte te brengen en houden wordt meegenomen in het regulier onderhoud. Hierbij wordt rekening gehouden met een buffer voor aangroei. De risico’s van bodem opbarsting zijn in kaart gebracht. De theoretische berekeningen, op basis van uitgevoerde sonderingen, geven aan dat beperkt verdiepen in Stolwijk mogelijk zou moeten zijn. Gezien de ervaringen en geuite zorgen uit de omgeving gaan wij bij de verdere uitwerking uit van verbreden voor het ruimtebeslag van de robuuste doorvoerroute. Voor maatwerk blijft verdiepen wel een optie. Hierbij hebben wij ook aandacht voor de (niet gefundeerde) woningen langs het eventueel te verbreden traject. Op basis hiervan kunnen we alsnog besluiten tot verdiepingen op bepaalde delen van het traject. Bij deze delen is dan minder tot geen verbreding van de sloot nodig.
In de Lek is sulfaat in hogere concentraties aanwezig dan in de polder. De verwachting is echter dat het percentage rivierwater niet toeneemt ten opzichte van de huidige situatie bij indienststellen van de doorvoerroute. Hierdoor blijft de concentratie sulfaat ongewijzigd. In de huidige situatie wordt in de zomerperiode ook water vanuit de Lek ingelaten om de polder te voeden en is de hoeveelheid rivierwater in de polder al hoog. Ingeschat wordt dat dit nauwelijks verandert tijdens de doorvoer, omdat we dan niet alleen (extra) water inlaten, maar tegelijk uitpompen.
In de komende tijd (september – december 2025) worden, kijkend naar de verwachte werkzaamheden en mogelijke transportroutes, de panden, belendingen (naburige percelen of gebouwen) en andere eigendommen in kaart gebracht. Kwetsbare objecten worden bouwkundig opgenomen (0-opname) en monitoringsplannen worden opgesteld. Tijdens de uitvoering worden trillings- en zettingsmetingen uitgevoerd om schade zoveel mogelijk te voorkomen en eventueel te kunnen vaststellen. Ook wordt nagedacht over de uitvoeringswijze en inzet van het materieel. Bijvoorbeeld de inzet van trillingsvrije machines.
Er blijft voldoende water over, daar hoeft u zich geen zorgen over te maken. Als er niet voldoende water zou zijn zetten wij dit ook niet over naar de Hollandsche IJssel. Kortom we bewaken de watervoorraad in de Krimpenerwaard.
Dit wordt onderzocht door ingenieursbureau Witteveen en Bos en is onderdeel van een lopende studie binnen dit project. De uitkomsten van de studie zullen in de toekomst terug te vinden zijn op onze website.
HHSK heeft in gesprekken met het Rijk/Regio over de zoetwatermaateregelen aangegeven dat voor het realiseren van de doorvoerroute, beschikbaarheid van zoetwater in de Lek een randvoorwaarde is. In de landelijke waterverdeling wordt gestuurd op het zo lang mogelijk in stand houden van een zoetwaterbuffer in de Lek ter hoogte van het inlaatpunt Krimpenerwaard. Het grootste deel van Nederland is afhankelijk van de Rijnafvoer die via Lobith binnenkomt.
Effect van wind blijft in grote polders merkbaar, onafhankelijk van de doorvoer. Bij de aanleg van de robuuste doorvoerroute verbreden we de sloten en vergroten we de doorvoercapaciteit, waardoor de peilopzet / het verhang afneemt. De klachten zouden dus minder moeten worden door het oplossen van de knelpunten in de doorvoerroute.
Bij de uitwerking van het Definitief Ontwerp beoordelen we de kans en de omvang van het probleem voor de robuuste doorvoerroute. Op basis hiervan nemen we eventuele maatregelen, denk hierbij aan een bedienprotocol, een aantal stuwen of lokaal aanbrengen van beschoeiing.
Ook voor inzet van de huidige doorvoer gaat het hoogheemraadschap het bedienprotocol aanscherpen. Hierbij onderzoeken we of er stoppunten in moeten worden gebouwd en of we de waterstand verder moeten verlagen bij Gemaal Verdoold.