Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Deze bijzondere vleermuis speelt een belangrijke rol in het ecosysteem.

De meervleermuis is een nachtelijke acrobaat en een indrukwekkende jager. Je kunt ze insecten zien vangen boven wateroppervlakten, waarbij ze gebruikmaken van echolocatie. Deze bijzondere vleermuis speelt een belangrijke rol in het ecosysteem door insectenpopulaties te reguleren. De bescherming van de meervleermuis is essentieel, niet alleen vanwege de unieke eigenschappen van de soort en de bijdrage aan de biodiversiteit, maar ook omdat het een betrouwbare indicator is van gezonde water- en leefomgevingen.

Belangrijke voorwaarden voor de meervleermuis

Voor de meervleermuis is het volgende belangrijk:

Verblijfplaatsen

De meervleermuis is wereldwijd zeldzaam, maar heeft grote populaties in Nederland, vooral in kraamkolonies op kerkzolders, in spouwmuren en onder dakpannen. Ze gebruiken diverse verblijfplaatsen, zoals kraam-, zomer-, paar-, en winterverblijven. Kraamverblijven, die tien tot honderden vleermuizen kunnen herbergen, bevinden zich vaak in gebouwen met verschillende temperaturen, waardoor vleermuizen tussen warme en koele plekken kunnen kiezen. Soms kiezen ze ook voor viaducten, tunnels, buizen die sloten verbinden en bruggen. In de winter overwinteren ze in bunkers in de duinen van Zuid-Holland en Noord-Holland, waar ze hun lichaamsprocessen vertragen om energie te besparen.

Voedsel

De soort eet voornamelijk dansmuggen en nachtvlinders, naast andere insecten zoals schietmotten, kevers, langpootmuggen, eendagsvliegen en spinnen. Ze zenden ultrasone geluidspulsen uit, vangen de echo op met hun oren en gebruiken deze techniek voor oriëntatie en jacht. Dit noemen we echolocatie. De meervleermuis jaagt in vlucht boven grote open wateren en langs oevers van diverse waterlichamen. Ze jagen door insecten met hun achterpoten van het wateroppervlak te grijpen. Ze vangen ook insecten boven oevers en vochtige weilanden. Tijdens het voedsel zoeken kunnen ze tot wel 2.500 muggen per nacht vangen.

Veiligheid

De meervleermuis is veilig wanneer de leefomstandigheden zo goed mogelijk zijn. Dit houdt in dat spouwmuren worden gespaard (tijdens bijvoorbeeld isolatiewerkzaamheden), zodat de vleermuizen niet worden ingesloten. Het leefgebied moet vrij zijn van de slechte effecten van landbouw en pesticiden, zodat voldoende voedsel aanwezig is. Daarnaast moeten de plekken waar voedsel te vinden is donker en ongestoord blijven, zonder verstoring door kunstmatige verlichting. Migratieroutes moeten vrij zijn van obstakels, zoals windmolens en drukke wegen. Goede kennis van hun winterverblijven en migratieroutes is essentieel voor effectieve bescherming, waardoor de meervleermuis veilig en de populatie gezond blijft.

Verbinding

Verplaatsing tussen voedselgebieden en verblijfplaatsen gebeurt vooral via watergangen, zoals kanalen, beken, vaarten en brede sloten. Maar ook boven land weten ze hun weg te vinden via landschapselementen zoals bomenrijen, houtwallen en dijken. Om te komen bij het gebied waar ze voedsel vinden, leggen meervleermuizen zo’n 10 tot 20 kilometer af. En wanneer ze migreren tussen het zomer- en winterverblijf kunnen ze zo’n 200 tot 300 kilometer afleggen. Vleermuizen migreren in alle windrichtingen. Hierdoor is een landelijk netwerk aan ecologische verbindingen van belang voor de meervleermuis. Bij het oversteken van open water kiezen ze vaak de smalste plek of een dijk.

Voortplanting

Mannetjes en vrouwtjes leven bijna het hele jaar gescheiden. In het najaar zoeken vrouwtjes mannetjes op langs trekroutes van zomer- naar winterverblijven. Mannetjes patrouilleren in specifieke gebieden om vrouwtjes te lokken en te paren. Het paren kan ook later in de winterverblijven plaatsvinden. Na het paren slaan vrouwtjes sperma op en worden eicellen bevrucht na de winterrust. Vrouwtjes krijgen slechts één jong per jaar, omdat ze een keer per jaar een eisprong hebben. In april verzamelen de vrouwtjes in een kraamverblijf, waar ze jongen werpen. Jongen blijven in het verblijf terwijl vrouwtjes foerageren. Na drie tot vier weken kunnen jongen uitvliegen en leren jagen.