Turfwinning

De ontginningen zorgden ervoor dat het land ontwaterde en geschikt werd voor het telen van gewassen.

Al in de middeleeuwen kwam men er ook achter dat het hoogveen heel geschikt was als brandstof. De turfwinning was geboren. De bovenste laag, bonkveen, werd verwijderd. De daaronder gelegen laag werd gewonnen voor brandstof. Dit had alles te maken met de opkomst en toenemende invloed van de steden. Al in de 13de eeuw namen de steden in betekenis toe door allerlei privileges die hen door de landsheren geschonken werden. Handel en nijverheid groeiden, waardoor ook de bevolking toenam. Voor verschillende takken van nijverheid was brandstof nodig, zoals brouwerijen en bakkerijen. Steden vormden dan ook de grootste afnemers van turf voor brandstof. Onderzoek heeft aangetoond dat energie uit turf een van de pijlers was van de latere economische bloei van Holland in de Gouden Eeuw. Slagturven Tot in de eerste decennia van de 16de eeuw werd turf gestoken of gedolven. Rond 1530 werd langzamerhand de grondwaterspiegel bereikt, zodat men over moest gaan op een andere manier van turfwinning. Vanaf nu werd er geen turf meer gestoken, maar gebaggerd: het slagturven. Met baggerbeugels werd het natte veen van onder de waterspiegel omhoog gehaald en op zogenaamde legakkers te drogen uitgespreid. Als de massa voldoende opgedroogd was, werden er turven van gestoken. Na het proces van verdere droging, dat soms maandenlang duurde, vond het transport plaats naar steden als Rotterdam, Schiedam en Gouda. Door het slagturven was er al gauw van het oorspronkelijke ontginningslandschap niet veel meer over. Er ontstonden grote veenplassen. Wel probeerde de overheid, het hoogheemraadschap en de Staten van Holland, het slagturven enigszins aan banden te leggen. In het begin werd slagturven in z’n geheel verboden, maar dat bleek onhoudbaar te zijn. Vervolgens werden in uitgevaardigde keuren bepalingen opgenomen dat verveners ter compensatie van door slagturven waardeloos geworden land ander land moesten opwaarderen en geschikt maken voor landbouw of beweiding. Hierdoor ontstonden weer gemengde bedrijven: de turf-weidebedrijven. Boeren verveenden een deel van hun land en hielden op de rest wat vee. Verarming van het veengebied Toch werden de keuren op veel manieren ontdoken. Soms werd teveel gebaggerd, zodat verschillende veenplassen samenvloeiden. In andere gevallen vond geen compensatie plaats, zodat ook de niet verslagturfde grond waardeloos werd en alsnog werd verslagturfd. Langzaam verschoof het accent van gemengde bedrijven naar enkel turfwinning. Kooplieden uit steden verwierven ook flink wat grond in de veenambachten om voor eigen profijt veen te winnen. In veel gevallen hielden zij zich wel aan de keurbepalingen, maar toch waren ze indirect debet aan de verarming van het gebied. Als ze hun percelen bijna uitgeveend hadden, verkochten ze hun grond aan de arme bewoners van de ambachten, die zich hiervoor diep in de schulden moesten steken. Om toch wat profijt van hun grond te hebben werd het veen tot de laatste kruimel weggehaald. Sommige ambachten verarmden op deze manier zodanig dat ze hun grondbelasting niet meer konden voldoen. Het bestuur van het hoogheemraadschap trad aanvankelijk ook niet erg streng op tegen overtredingen van de keur. De dijkgraaf had namelijk inkomsten uit de turfmaat, een belasting over de hoeveelheid gegraven turf. Deze turfmaat bracht meer op dan de boeten die delvers voor overtredingen moesten betalen. Om deze belangenverstrengeling tegen te gaan werd later de belasting van de turfmaat verpacht en werd het voor overheidsfunctionarissen verboden aan deze verpachting mee te doen. Waarborgsysteem Om er toch voor te zorgen dat er voldoende opbrengsten uit waterschapslasten of morgengelden in de kas van Schieland vloeide, werd in 1700 – naar Rijnlands voorbeeld – een nieuw waarborgsysteem ingevoerd. Voor elke roede verveend land moest de vervener een stuiver waarborggeld betalen, het zogenaamde stuivergeld. Ook bestond de mogelijkheid belastingverplichtingen definitief af te kopen: de zogenaamde afkoopkassen. Deze gelden werden belegd in obligaties van de Staten van Holland. Uit de renten hiervan werden de morgengelden voldaan. Dit waarborgsysteem was al in 1680 bij Rijnland ingevoerd, maar in 1700 stelden de Staten van Holland het verplicht voor het hele gewest. Ging er door slagturven veel land verloren en knepen dijkgraven in de begintijd nog wel eens een oogje toe, grote waterstaatswerken werden wel goed beschermd. De landscheiding tussen Schieland en Rijnland bijvoorbeeld is nooit door vervening doorgebroken, alhoewel aan weerszijden van deze landscheiding zich grote veenplassen uitstrekten: de Noordplas bij Hazerswoude en de Zuidplas bij Moordrecht.