Waterbeheer rond de Tweede Wereldoorlog

Over de Tweede Wereldoorlog zijn al vele verhalen geschreven. Ieder met een andere invalshoek, uit miljoenen bronnen en over verschillende gevoelens. Ook dit is zo’n verhaal.

Maar dan over hoe mensen in ons gebied met het water leven tijdens die jaren en de jaren erna. Hoe onze medewerkers alles op alles zetten om het gebied zo droog mogelijk te houden. Dat begint al voor mei 1940. Als we beginnen om onze waterwerken te beschermen tegen mogelijke luchtaanvallen.

We moeten onze waterwerken beschermen

Al ver voor de inval in Nederland op 10 mei 1940 was duidelijk dat Adolf Hitler plannen had voor een zogenaamd wereldrijk. Nadat hij in 1938 Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije had ingenomen, viel hij op 1 september 1939 Polen binnen. Daarmee begon de Tweede Wereldoorlog. Omdat het niet de vraag was of maar eerder wanneer de Duitsers het volgende land zou binnenvallen, begonnen de waterschappen in Nederland hun waterwerken te beveiligen tegen luchtaanvallen.

Zo vraagt het ministerie van Waterstaat in een brief van 9 februari 1939 om ‘te bevorderen dat ten spoedigste de meest noodige maatregelen worden getroffen om noodvoorzieningen te kunnen aanbrengen op die plaatsen, waar vernieling van waterstaatwerken door luchtaanvallen tot rampen aanleiding zouden kunnen geven.’ Het ministerie geeft aan zelf al een aantal maatregelen te hebben genomen, zoals de opslag van extra schotbalken en ander materieel om water te kunnen keren bij vernieling. Voor personeel moeten schuilplaatsen worden gemaakt, omdat zij op hun post moeten kunnen blijven om hun werk uit te voeren. Men vraagt ‘bijzondere aandacht voor deze zaak’, omdat het ‘noodzakelijk is dat soortgelijke maatregelen ook worden genomen door de provincies, waterschappen en anderen, die waterstaatswerken onder hun beheer hebben.’
Dat er inderdaad maatregelen worden genomen, blijkt uit een brief van het hoogheemraadschap van Schieland aan het polderbestuur van de gecombineerde polders van Capelle aan den IJssel van 21 december 1939. Hierin wordt ‘met eer een regeling voor de luchtbescherming van Schielands Hooge Zeedijk aangekondigd’. De definitieve regeling wordt op 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval in Nederland, ondertekend door de secretaris-rentmeester van het hoogheemraadschap van Schieland.

Verzoek aan polderbestuur van Capelle aan den IJssel in 1939

Voorbereidingen voor de oorlog

(De aanloop naar) Het bombardement van 14 mei

Al op 12 mei liep het gemaal Admiraliteitskade bij het Oostplein in Rotterdam de eerste schade op tijdens een bombardement. Ramen en deuren gingen kapot, maar ook het dak van het gemaal en de woning van de machinist raakten beschadigd. Gelukkig werkten de pompen van het gemaal nog wel. Maar een Schielandse ingenieur, W.N. van Nooten, besloot daarop wel de ramen van het gemaal te gaan blinderen en een brandwacht – met een kuip water op het dak - in te stellen. Onze medewerkers moesten alles op alles zetten om de gemalen draaiend te houden. In het bijzonder het gemaal dat zorgde voor de waterstand van de Rotte, gemaal Admiraliteitskade, moest blijven draaien. Een te hoge waterstand op de Rotte zou voor natte voeten zorgen tot aan Bleiswijk. ‘Om de gevolgen van een bominslag te beperken’, luidde het verzoek om de waterstand in de Rotte zo laag mogelijk te maken door bemaling.

Op 14 mei 1940 valt in een kwartier tijd een bommenregen op Rotterdam. Het bombardement moet ervoor zorgen dat Nederland zich overgeeft aan de Duitsers. Hoewel slechts een kwartier, was de vernietiging gigantisch. Dit kwam omdat na het bombardement enorme branden ontstonden, die niet te stoppen waren. Vrijwel het hele centrum van Rotterdam brandde af.

Rotterdam in puin

Na het bombardement breekt er ook brand uit in de buurt van het gemaal. Met een brandspuit van de gemeente wordt het dak van het gemaal – met daarin een olieopslagplaats!- nat gehouden tegen de vonkenregen. In de dagen erop breekt nog twee keer brand uit in de buurt van het gemaal. Maar de machinist zorgde ervoor dat dat geen gevolgen had voor het gemaal.
Ook de sluiswachters hadden veel werk deze meidagen. De Vlasmarktsluis werd voortdurend bewaakt. Toch kon sluiswachter Spaans niet voorkomen dat de sluisdeuren door de brand voor een deel werden verwoest. Omdat het laagwater was buiten de sluis, kon het water genoeg worden tegengehouden. De sluis werd snel tijdelijk gemaakt met houten balken en zeilen en al op 18 mei wordt begonnen met de bouw van een noodwaterkering in de sluis.
In het centrum van Rotterdam had Schielands Hoge Zeedijk daarnaast twee voltreffers gehad tijdens het bombardement. Een op het Oostplein en een bij de herberg “In den Rustwat”, beiden in Kralingen. Deze beschadigingen konden snel worden gerepareerd. Als door een wonder liep het Gemeenlandshuis (tegenwoordig het Schielandshuis) aan de Hoogstraat in het centrum van Rotterdam tijdens deze meidagen geen schade op.

Op deze topografische kaart van Rotterdam, gemaakt in Amerika tijdens de oorlogsjaren door het US Army Corps of Engineers, is goed het gebied van het bombardement te zien. De Amerikanen hebben in het Engels de ‘drainage pumps’ (de gemalen) aangegeven. Eén van die gemalen is het gemaal Admiraliteitskade, waarmee de Rotte wordt bemalen.

Het Schielandshuis staat nog na het bombardement

Het Schielandshuis nu

Het waterwerk tijdens de oorlogsjaren

Waterwerk bleef onverminderd belangrijk. Bijvoorbeeld aan de dijken. Daar werd aan gewerkt en de schouw (controle van de sloten) ging ook gewoon door.

Goudsche Courant, 13 mei 1941

De aanbesteding voor het werk aan de IJsseldijk, 11 juni 1941

Controle van de sloten (schouw) in 1942

Verdedigen met water

Vanaf 1944 werden delen van Nederland onder water gezet om aanvallen van de geallieerden zoveel mogelijk tegen te houden. Vooral gebieden in Noord-Holland en Zuid-Holland kwamen tot kniehoogte onder water te staan door sluizen te openen, dijken door te steken en gemalen stop te zetten. Dit gebeurde onder bevel van de Duitsers. Daarnaast zorgde ook een tekort aan brandstof dat gemalen niet meer konden draaien.
In Schieland werd een ‘watergordel’ rond Rotterdam gemaakt. Begonnen werd met de Eendrachtspolder en de Tweemanspolder in Zevenhuizen. Daarna volgde een stuk van Kralingscheveer tot aan Kortenoord bij Nieuwerkerk aan den IJssel. Verschillende polders kwamen onder water te staan. In Capelle aan den IJssel ging het om Esse, Blaardorp en Gansdorp en de Kortland- en Kleinpolder. Maar ook de Zuidplaspolder, polder de Wilde Veenen en de polders Bleiswijk, Hillegersberg en Schiebroek werden onder water gezet. In totaal kwam dit neer op ruim 2800 hectare grond, die onder water stond. Dat zijn ruim 4000 voetbalvelden onder water in het Schielandse gebied.

Op deze kaart zijn de onder water gezette polders lichtblauw gekleurd

Laat de Duitsers maar tobben

De Duitsers moesten zelf zorgen dat land onder water kwam te staan. Nederlanders hebben geweigerd hier zelf aan mee te werken. Hierbij kwam steun uit onverwachte hoek. Een dagorder van de Wehrmachtsbefehlhaber van 26 februari 1944. Daarin staat dat van Nederlandse waterschaps- en polderbesturen niet kan worden verlangd dat zij medewerking verlenen bij het onder water zetten van land. De Duitsers moesten het dus zelf doen. Onze ingenieur: “Deze inlaatbuizen hebben de Duitschers zelf gelegd, soms op een wijze dat het verwondering mag wekken, dat er geen ongelukken zijn gebeurd. Met deze werken liet men de Duitschers tobben.” Maar er was wel een grens. “Werd het werk zoodanig , dat het gevaar ging opleveren, dan werd ingegrepen en medegedeeld hoe het moest.” Daarbij moesten onze waterschappers nog voorzichtig zijn. “Het was daarom zaak na te gaan wat de Duitschers deden, zonder zelf ten tooneele te verschijnen, om te ontgaan, dat men in het geval betrokken werd.”
Onze waterschapscollega’s legden met hulp van veel mankracht weer noodkades aan om de onder water gezette polders heen om landbouw- en woongebieden te beschermen tegen het water. Met toestemming van de Duitsers. Ook werden noodgemalen ingezet en polders met elkaar verbonden om gebieden die niet onder water gezet stonden, toch voldoende te kunnen ontwateren.

Aquarel uit de serie 'Autotochten door het inundatiegebied van Schieland in 1944' door kunstschilder W.M. Strörmann

De oorlog is voorbij

Na de bevrijding in mei 1945 wordt het water uit de onder water gezette polders weggepompt. De noodkades die waren aangelegd om deze gebieden heen waren voor 1946 alweer opgeruimd. Dijken die zijn beschadigd, moeten zo snel mogelijk worden gerepareerd. Al op 15 juni 1945 stuurt de ingenieur van Schieland W.N. van Nooten een verzoek aan het d&h met de vraag hem ‘te machtigen de herstellings- en opruimingswerkzaamheden aan de dijk te doen verrichten’. Dit in verband met de ‘vordering van het jaargetijde’. Het gaat hier om verschillende vergravingen in Schielands Hooge Zeedijk en betonversperringen nabij de Julianasluis en Kralingscheveer. Dat de versperringen niet zo eenvoudig op te ruimen zijn, blijkt uit een brief van de ingenieur aan het d&h van 22 augustus 1945. De versperringen mogen niet worden opgeruimd met springstoffen. Nee, daar is een speciale pneumatische hamer voor nodig. En die zijn niet zo makkelijk te verkrijgen. De ingenieur verwacht wel dat de betonversperringen voor de winter zijn verwijderd. Uiteindelijk blijken de kosten voor deze werkzaamheden f 23.257,29 te zijn, zo staat in de nota van de aannemer die de ingenieur op 14 maart 1946 naar het d&h stuurt. Alleen deze reparaties aan Schielands Hooge Zeedijk bedragen omgerekend naar vandaag al ruim €150.000,-.

Een brief van de ingenieur van Schieland aan de vergadering van dijkgraaf en hoogheemraden over het herstellen van schade aan Schielands Hooge Zeedijk