Ontginning
Veen bestaat uit plantenresten die door het ontbreken van zuurstof niet vergaan. Het komt voornamelijk in gematigd vochtige streken voor. In eerste instantie ontstond laagveen, bestaande uit plantenresten die in contact komen met het grondwater. Hierop werden door de zee lagen van klei afgezet. Langzamerhand vormde zich voor de kust een gesloten gordel van strandwallen, zodat de zee geen invloed meer kon uitoefenen op het achterliggende gebied. Het gebied werd voedselarmer, waardoor zich hoogveen kon vormen op het laagveen. Hoogveen bestaat uit resten van planten die alleen van regenwater afhankelijk zijn. Het hoogveen fungeerde als een spons en zoog zich vol water. Hier en daar was bewoning mogelijk in het zompige gebied. Bewoners bouwden hun onderkomens op terpen of donken, respectievelijk kunstmatige verhogingen in het landschap die ze zelf opwierpen en natuurlijke heuvels van dekzand in het rivierengebied. Ook langs de stevige kleioevers van de rivieren die door de Hollands-Utrechtse veengebieden liepen, kwam bewoning voor. De rest van het veengebied was onbewoonbaar, hoewel het gebied niet helemaal ontoegankelijk was. In de buurt van de rivieren bestond een soort natuurlijke afwatering, zodat de gronden wel enigszins begaanbaar waren voor jacht en visserij. Ontwatering van het gebied Pas in de 10de eeuw begon men met het ontginnen van het gebied. De basis van een ontginning vormde doorgaans een rivier of veenstroom. Haaks hierop werden sloten gegraven, waardoor het land op de rivier kon afwateren. Deze sloten dienden tegelijk als perceelscheiding. In het ontwaterde gebied werden nederzettingen gesticht, van waaruit de ontginningen verder vorm kregen. Het gebied werd geschikt gemaakt voor het telen van gewassen. Naast het houden van rundvee en schapen gingen de ontginners nu ook graan en andere gewassen verbouwen, zodat gemengde bedrijven ontstonden. In veel gevallen waren de ontginners individuele kolonisten. Er kwamen ook zogenaamde cope-ontginningen voor. Een cope is een overeenkomst tussen een aantal ontginners en de landsheer, de graaf van Holland of de bisschop van Utrecht. Zij waren namelijk eigenaar van alle woeste gronden, het zogenaamde wildernisregaal. De ontginners kochten een stuk veengrond van de landsheer en gingen aan de slag om het te ontwateren. Naast vrije ontginningen en cope-ontginningen waren er ook nog de Utrechtse kapittels en andere geestelijke grootgrondbezitters die een rol in de ontginningen speelden. Dit schijnt in het gebied van Schieland voornamelijk aan de orde te zijn geweest, al is dat niet met zekerheid te zeggen. Feit is wel dat de kapittels van de Dom en Oudmunster bezittingen hadden langs de Hollandse IJssel, bijvoorbeeld het dorp Ouderkerk. De parochiekerk van Hillegersberg, het oudste dorp van Schieland in het centrum van het Rottegebied, werd in 1028 eigendom van de Amersfoortse abdij van Hohorst. Ontginningen door geestelijke instellingen gebeurden veelal door middel van hoven: boerenbedrijven die centraal geleid werden en bewoond werden door horigen. Molenpolders Aan het eind van de 12de eeuw was een groot deel van het gebied ontgonnen, al bleven er nog wel grote stukken veengebied liggen, bijvoorbeeld de Wilde Veenen bij Moordrecht. Ook de noordelijker gelegen veengebieden rond Waddinxveen en Boskoop werden pas in de loop van de 13de eeuw aangepakt. De veengebieden die wel ontgonnen waren, zorgden echter voor problemen. Door de ontwatering kwam het veen in aanraking met de buitenlucht, dus met zuurstof. Door dit contact vond oxidatie plaats, waarbij het veen in het niets verdween. Dit leidde tot inklinking, bodemdaling dus. In totaal daalde het maaiveld in de loop der jaren wel met zo’n drie tot vier meter. Dit veroorzaakte afwateringsproblemen. De waterstand in de rivieren kwam veel hoger te liggen dan het maaiveld. Men ging dijken aanleggen om de landerijen tegen het water te beschermen. Zo ontstonden de eerste polders: laag gelegen stukken land die door dijken en kaden tegen overstromingen werden beschermd. Er werden ook watermolens geplaatst, die het overtollige water via een sluis of duiker in de waterkering op de rivier uitmaalden. In het begin werd wel van paardenmolens gebruik gemaakt, maar algauw stapte men over op windkracht. In Schieland werd voor het eerst in 1434 melding gemaakt van een molen. Het betreft de Spaanse molen van de Spaanse of Spangense polder bij Overschie. Ook langs de rivieren werden dijken aangelegd. De belangrijkste rivierdijk in het gebied van Schieland is de dijk die later bekend stond als Schielands Hoge Zeedijk, bovenstrooms van de Merwede of Nieuwe Maas. De dijk vormde een gesloten geheel, alleen onderbroken op de plaatsen waar de Schie en de Rotte in de Merwede uitmondden. De dijk moet al in het begin van de 12de eeuw bestaan hebben en op de traditionele manier door aangrenzende landeigenaren zijn onderhouden. De mondingen van de Rotte en de Schie vormden een risico. Bij hoge waterstand kon het achterland via deze open mondingen makkelijk overstromen en ook de afwatering ging dan niet meer vanzelf. Daarom werden in de loop van de 13de eeuw een stukje landinwaarts dammen met sluizen in deze rivieren gelegd: de Schiedam en de Rottedam. Rond deze dammen ontstonden nederzettingen die later uitgroeiden tot steden met dezelfde naam. Vorming van het hoogheemraadschap Tot halverwege de 13de eeuw was de aanleg en het onderhoud van dijken een vrij lokale aangelegenheid geweest. Dat begon nu langzamerhand te veranderen. Bij de aanleg van de dammen in de riviermondingen van Rotte en Schie werd door verschillende belanghebbenden in ambachtsverband samengewerkt. De waterstaatszorg veranderde van lokaal naar bovenlokaal. Van een georganiseerd bestuur was echter nog geen sprake. Dit is een van de redenen waarom het niet zo moeilijk was je aan je onderhoudsplicht te onttrekken. In 1273 vaardigde graaf Floris V een oorkonde uit waarin hij verbood om land te verkopen zonder dat de rechten en plichten meegingen naar de nieuwe eigenaar. Dit gebeurde nogal eens, waardoor het volkomen onduidelijk werd wie de plicht tot onderhoud had. Toch was de vorming van een overkoepelende waterschapsorganisatie niet ver meer. In 1299 moet het hoogheemraadschap van Schieland al in basale vorm bestaan hebben. Er is dan in een oorkonde van graaf Jan I sprake van de heemraders van den bedrive van den dike ende van den waterghanghen van der baeliuscepe tussen Scie ende Goude. In de praktijk kwam het erop neer dat het gebied waarover de heemraden zeggenschap hadden, samenviel met het baljuwschap Schieland, waarschijnlijk ontstaan tijdens de regering van graaf Floris V. De baljuw kreeg de titel dijkgraaf erbij. Samen met de heemraden zorgde hij nu voor de waterstaat tussen Schie en Gouwe. Er is een driedeling te onderscheiden in de taken van het college van baljuw en heemraden, later dijkgraaf en hoogheemraden genoemd. Het college vaardigde keuren en verordeningen uit voor het onderhoud van waterstaatszaken, er werd toegezien op de naleving van deze wetten door middel van de schouw die vier keer per jaar werd uitgevoerd en het college sprak recht als er sprake was van overtreding van de keuren. Zowel de dijkgraaf als de hoogheemraden waren van adel. Tegen het eind van de 14de eeuw werd het aantal hoogheemraden bepaald op vijf.