Toelichting gedeeltelijke aanpassing NNN-gebied Veerstalblok
1. Inleiding
1.1. Aanleiding
Het belang van peilbeheer
Het peilbeheer, oftewel het sturen van de waterstand van het oppervlaktewater, is een belangrijke voorwaarde voor het gebruik van een gebied. Zeker in een waterrijk gebied dat onder de zeespiegel ligt zoals de Krimpenerwaard. Het waterpeil is mede bepalend voor de grondwaterstand, die van belang is voor onder meer de groei van gewassen, natuurwaarden en de toestand van funderingen. Het waterpeil heeft invloed op de ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
Bestuurlijke en juridische context: het peilbesluit
In de omgevingsverordening Zuid-Holland is bepaald dat voor alle wateren binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) peilbesluiten moeten worden vastgesteld, die zijn toegesneden op de actuele situatie. Daarbij zijn in eerste instantie de toegekende bestemmingen in het bestemmingsplan leidend. In peilbesluiten worden de waterpeilen en de kenmerken van het peilbeheer vastgesteld op basis van een integrale afweging van alle belangen in relatie tot oppervlaktewater en het grondwater. Deze afweging vindt plaats op basis van de geldende wettelijke verplichtingen, regelgeving en beleidsuitgangspunten van HHSK die zijn vastgesteld in de Beleidsuitwerking Peilbeheer (maart 2018).
Natuurontwikkeling in de Krimpenerwaard
In de Krimpenerwaard ligt sinds de vaststelling van het Nationaal Natuurbeleidsplan in 1990 een grote natuuropgave. Sindsdien is in verschillende gebiedsprocessen gewerkt aan de vormgeving en realisatie van die natuuropgave, destijds onderdeel van de zogenaamde Ecologische Hoofdstructuur en tegenwoordig onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Eind 2014 hebben de Provincie Zuid-Holland (PZH), de voormalige gemeenten van de Krimpenerwaard en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) de Gebiedsovereenkomst Veenweiden Krimpenerwaard ondertekend. In deze overeenkomst staan concrete afspraken over de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland in de regio met de verschillende partijen.
Een van de gebieden waar deze gebiedsovereenkomst over gaat, is gebied Veerstalblok.
Voor de wijziging van bestemming van het nieuw in te richten gebied heeft de gemeente een bestemmingsplan vastgesteld (gemeente Krimpenerwaard, 2019). Voor het mogelijk maken van de waterstandsverandering heeft het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard zes peilbesluiten vastgesteld (HHSK, 2018). Het peilbesluit Veerstalblok is één van deze zes besluiten. Dit betreft een gebied in het noorden van de Krimpenerwaard.
Kleine grenswijzigingen van de NNN-gebieden, een beter inzicht in het watersysteem en beter inzicht in de gewenste waterstanden voor de in te richten natuur hebben ertoe geleid dat het peilbesluit aangepast wordt.
2. Gebiedsbeschrijving
Gebiedskenmerken, functies en ontwikkelingen van het gebied zijn mede bepalend voor het te voeren peilbeheer en peilafwegingen. We beschrijven in dit hoofdstuk kenmerken die van invloed zijn op de peilafwegingen.
Deze gebiedsbeschrijving gaat specifiek in op het gebied Veerstalblok. Voor een meer algemene toelichting op de NNN-Krimpenerwaard en de gebiedskenmerken in relatie tot het peilbeheer wordt verwezen naar de ‘Toelichting peilbesluiten NNN Krimpenerwaard (2018).
2.1. Ligging en grondgebruik
De Krimpenerwaard ligt tussen de rivieren Lek, Hollandsche IJssel en het veenstroompje de Vlist. Ten noorden van het gebied ligt Gouda, in het westen Krimpen aan den IJssel en aan de zuidoostkant de kern Schoonhoven. Het gebied heeft een oppervlakte van ca. 14.200 ha.
Het gebied Veerstalblok ligt tussen de N207 en Beijerscheweg.
Huidig grondgebruik
Het huidig grondgebruik anno 2022 is hoofdzakelijk agrarisch grasland. In peilgebied Beijersche Weegje ligt ook bebouwing en infrastructuur.
Grondgebruik op basis van bestemmingsplan
In het bestemmingsplan Veenweiden Krimpenerwaard (onherroepelijk sinds juni 2021) heeft het gebied Veerstalblok de bestemming natuur. Daarnaast is de dubbelbestemming archeologische waarden (met verschillende gradaties) en de deels de gebiedsaanduiding stiltegebied toegekend. Aan enkele percelen is de bestemming ‘agrarisch met waarden’ toegekend.
Natuurdoelstellingen
Voor het NNN in de Krimpenerwaard is in de Gebiedsovereenkomst Krimpenerwaard (2014) en het Natuurbeheerplan van de Provincie Zuid-Holland (2018) een bepaalde verhouding in natuurtypen bepaald. Deze verhouding is grofweg in te delen in:
Waternatuur komt binnen alle natuurtypen voor in de vorm van sloten, vaarten, plassen en poelen. Bij de lokalisatie van de verschillende natuurtypen is het van belang de beste potenties te benutten, maar ook om een (natte)verbindingszone voor soorten te creëren door het gebied heen. Veel soorten van vochtige en natte graslanden, zowel flora als fauna, zijn slechte verspreiders. Door het creëren van een natuurlint van natte, soortenrijke graslanden en moerasstapstenen, ontstaan er leefgebied en mogelijkheden voor (genetische) uitwisseling voor deze slechte verspreiders.
Hoewel de procentuele onderverdeling van de natuurtypen de indruk wekt dat ze strikt gescheiden zijn, is er op landschapsniveau op veel plekken een overlap tussen de typen. Zo profiteren weidevogels van botanische graslanden en komen er in de oude beboste blokboezems vaak ook botanische graslanden voor. De hoofddoelen zijn vertaald naar doelen per perceel en watergang (zogenaamde natuurbeheertypen).
De natuurdoelstelling is nader vormgegeven in het Inrichtingsplan Krimpenerwaard, wat ook een bijlage is bij het bestemmingsplan Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard. De natuurdoelen voor Veerstalblok zijn weergegeven in figuur 1.
Ook kent het gebied specifieke waternatuurdoelen. Het watersysteem heeft de status KRW-waterlichaam (‘natuurgebieden zuid’). De ecologische doelstellingen, uitgesplitst in doelen voor waterplanten, macrofauna en vis zijn door de provincie Zuid-Holland vastgelegd. Over de voortgang van realisatie van deze doelen rapporteert de waterbeheerder HHSK naar de Rijksoverheid, en Nederland naar de Europese Commissie.

2.2. Peilbeheer
Peilbeheer in 2023
Het grootste deel peilgebied NNN-Veerstalblok maakt op dit moment deel uit van peilbesluit Stolwijk en Berkenwoude Het peilbeheer van dat gebied is afgestemd op de functie grasland in veenweidegebied.
In het peilbesluit uit 2018 is opgenomen dat, tot instelling van het peil voor de natuurfunctie, er een overgangssituatie van kracht is. Deze komt er op neer dat tot instelling van de nieuwe peilen, het peil van peilgebied Stolwijk en Berkenwoude leidend is. Anno 2023 betreft dat een flexibel waterpeil van -2,26 m tot -2,21 m NAP.
Beoogd peilbeheer op basis van geldend peilbesluit
In het peilbesluit van 2018 is er voor het peilgebied NNN-Veerstalblok een flexibel waterpeil van -2,24 m tot -2,09 m NAP vastgesteld.
3. Beoogde situatie
3.1. Inleiding
In dit hoofdstuk worden de natuur- en wateropgave voor gebied Veerstalblok beschreven op basis van de in 2021 binnen het programma Veenweiden opgedane inzichten. Hierbij worden specifiek de veranderingen belicht ten opzichte van de uitgangspunten die ten grondslag lagen aan de in 2018 en 2016 genomen peilbesluiten. Vervolgens wordt op basis van deze uitgangspunten in hoofdstuk 4 een peilvoorstel gedaan.
3.2. Watersysteemvereisten
In het NNN-gebied Veerstalblok worden met name de natuurbeheertypen kruiden- en faunarijk grasland, vochtig weidevogelgrasland, nat schraalland en moeras gerealiseerd. Deze vallen onder de natuurdoelen botanische natuur en kleinschalige landschapselementen. Om deze natuurdoelen te realiseren moet het gebied aan diverse randvoorwaarden voldoen. In het inrichtingsplan Krimpenerwaard zijn deze beschreven. De randvoorwaarden zijn hieronder verder toegelicht.
Drooglegging percelen
De natuur op de percelen is sterk afhankelijk van de grondwaterstand, welke weer mede wordt bepaald door de drooglegging. Per natuurdoel is een bepaalde drooglegging gewenst:
- Botanische natuur:
In de visie op het natuurgebied in de Krimpenerwaard (strategiegroep Veenweidepact, 2007) is de relatie tussen gewenste grondwaterstanden en oppervlaktewaterpeilen verder uitgewerkt voor de graslanden. De wenspeilen voor het oppervlaktewaterpeil zijn voor graslanden gezamenlijk een winterpeil tussen 0 en 30 cm min maaiveld en een zomerpeil tussen 15 en 45 cm min maaiveld.
Voor de realisatie van de botanische doelen is het ook nodig de veraarde en fosfaatrijke bovenlaag te verwijderen. Daarvoor is gepland percelen te gaan afplaggen. De plagdiepte is per perceel bepaald op basis van bodemonderzoek. De beoogde drooglegging wordt dus zowel bepaald door de plagdiepte als het oppervlaktewaterpeil.
- weidevogeldoelen
Een beperkte drooglegging in combinatie met (kleine) verschillen in hoogteligging van het maaiveld leidt tot verschillen in grasgroei en daarmee tot broedgelegenheid voor verschillende weidevogelsoorten. Ook in de kuikenperiode zal de grasvegetatie een structuur hebben die veel geschikter is om in te foerageren dan die van vegetaties op gangbaar beheerde percelen. Een beperkte drooglegging in het voorjaar (0 – 0,20 m) zorgt voor een relatief trage groeisnelheid van het gras, waardoor het gras ook voor de weidevogelkuikens een geschikt opgroeigebied is.
In het peilbesluit in 2018 was uitgegaan van een voorjaarsdrooglegging van 15-30 cm. Onderzoek elders in Nederland en ook het evaluatie-onderzoek binnen de Krimpenerwaard (Polder De Nesse en Berkenwoudse Driehoek) heeft echter uitgewezen dat voor ‘goed weidevogelgrasland’ met bijbehorende doelsoorten een maximale voorjaarsdrooglegging van 20 cm beter past. - Kleinschalige landschapselementen
Binnen het natuurtype kleinschalige landschapselementen komen verschillende natuurbeheertypen voor die kunnen verschillen in hun eisen ten aanzien van de drooglegging. Bestaande landschapselementen als eendenkooien en geriefbosjes vereisen in de meeste gevallen geen peilaanpassing. Nieuwe landschapselementen als moeras of ruigteveld kunnen aanleiding geven tot specifieke wensen voor het peilbeheer vooral voor de beheerbaarheid en het voorkomen van verbossing.
Per natuurbeheertype is aan de hand van de gewenste grondwaterstanden een onder en bovengrens bepaald voor de optimale drooglegging door het seizoen heen. In tabel 1 zijn de meest kritische en meest voorkomende natuurbeheertypen weergegeven met de bijbehorende gewenste onder en bovengrens van drooglegging voor dat type. Voor de waternatuur is de drooglegging ook van belang i.v.m. de afbraak van veen en de daarbij vrijkomende stoffen (stikstof, fosfaat, sulfaat).
|
vochtig hooiland (N10.02) |
kruiden- en faunarijkgrasland (N12.02) |
Nat schraalland (N10.01) | Vochtig weidevogelgrasland (N13.01) |
|---|---|---|---|
| winter | zomer | winter | zomer |
| 0 tot 0,20 meter | 0,20 tot 0,30 meter | 0,15 tot 0,30 meter | 0,30 tot 0,45 meter |
Door aanpassen van het waterpeil kan gebiedsbreed de gewenste drooglegging zo goed mogelijk worden benaderd. Hiervoor is een eigen watersysteembegrenzing nodig per peilgebied.
Om de natuurbeheertypen vochtig hooiland en nat schraalland te verkrijgen is het soms nodig om de voedselrijke bovenlaag te verwijderen door te plaggen.
Waterkwaliteit
Voor de waternatuurdoelen en in mindere mate ook de landnatuurdoelen is de waterkwaliteit een randvoorwaarde. Om de waterkwaliteit te verbeteren is vermindering van de voedselrijkdom nodig. Dit gebeurt o.a. door het verminderen van de mestgift, het aanpassen van de drooglegging en door te plaggen.
Peilfluctuatie
Naast de hoogte van het peil, is de variatie van de peilhoogte door het seizoen heen van belang. Het uitgangspunt van de peilfluctuatie in een natuurgebied is om zoveel mogelijk aan te sluiten op een natuurlijk peilverloop op basis van het neerslag- en verdampingspatroon. Een natuurlijk peilverloop gaat uit van een hoge (grond)waterstand in het voorjaar (februari/maart) en een lage (grond)waterstand aan het einde van de zomer (juli/augustus). Hoge (grond)waterstanden vertragen de grasgroei en zorgen voor de juiste vochttoestand in de percelen voor het realiseren van de natuurdoelen. Ook de ontwikkeling van waardevolle oevervegetatie is gebaat bij een natuurlijke fluctuatie over de seizoenen. Deze peilfluctuatie wordt zoveel als mogelijk gestuurd door neerslag en verdamping, maar moet waar nodig worden bijgestuurd door het in- en uitlaten van water. Zo is het ongewenst om de peilen in de zomer te ver laten uitzakken in verband met het effect op veenafbraak. Voor het vasthouden van schoon regenwater en het beperken van inlaat van water van buiten het gebied is een ruime peilmarge nodig. Als algemene richtlijn wordt een marge van ca. 15 cm gehanteerd.
Aanvoer van schoon water
Hoewel de aanvoerbehoefte van water met voorgaande aanpak wordt beperkt, zal aanvoer van water nodig blijven. Voor de waternatuur is daarbij vooral het fosfaatgehalte bepalend.
- Peilafweging
In dit hoofdstuk bespreken we de doelstellingen van het peilbeheer in NNN-gebied Veerstalblok en wat het betekent voor het waterpeil.
4.1. Doelstellingen peilbeheer
De aangewezen functie van NNN-gebied Veerstalblok is natuur. De primaire doelstellingen van het peilbeheer in Veerstalblok zijn het versterken van de waternatuur, het verder ontwikkelen van de huidige weidevogelpopulatie en het ontwikkelen van botanische waarden. Voor de natuur op het land ligt de focus op het ontwikkelen van vochtig hooiland, nat schraalland, kruiden- en faunarijk grasland en vochtig weidevogelgrasland.
Voor de waternatuur is het streven het versterken van de ecologische kwaliteit (planten, macrofauna en vis) horend bij de veensloten. Het peilbeheer moet bijdragen aan het behalen van het Goed Ecologisch Potentieel (GEP) conform de KRW.
HHSK streeft ernaar om via het peilbeheer bij te dragen aan het beperken van bodemdaling in het veenweidegebied. Omdat veenafbraak vooral in drogere periodes plaatsvindt, wanneer de grondwaterspiegel uitzakt, is daarvoor vooral het peilbeheer in het zomerhalfjaar van belang.
4.2. Peilgebied GPG-1358 – NNN Veerstalblok
Vigerend waterpeil: -2,24 m / -2,09 meter NAP
Beoogd waterpeil: -2,24 m / -2,09 m NAP
Zoals te zien in bijlage 4, bevat de herziening van het peilgebied enkele grenswijzigingen en het toevoegen van één afwijkend peil. Het waterpeil dat is vastgesteld in 2018 verandert niet.
Voor peilgebied GPG-1358 blijft het waterpeil van -2,24 / -2,09 meter NAP vaststaan.
4.3. Peilgebied GPG-1204
Vigerend waterpeil: -2,24 m / -2,09 meter NAP
Beoogd waterpeil: -2,26 m / -2,21 meter NAP
De ligging van dit peilgebied is te zien in figuur 2. Vanwege de lage ligging van de percelen binnen GPG-1204 is het waterpeil van het peilgebied Stolwijk en Berkenwoude (Peilbesluit Stolwijk en Berkenwoude) gewenst.
GPG-1204 wordt in dit peilbesluit administratief gezien een apart peilgebied maar in de praktijk is het dat niet. Dit peilgebied staat namelijk in open verbinding met het peilgebied Stolwijk en Berkenwoude. Zodra het peilbesluit Stolwijk en Berkenwoude wordt herzien, wordt dit peilgebied toegevoegd aan het peilgebied Stolwijk en Berkenwoude. Het waterpeil in dit peilgebied wordt gelijk aan het waterpeil in peilgebied Stolwijk en Berkenwoude, namelijk -2,26 / -2,21 m NAP.
4.4. Afwijkende peilen
In het peilgebied Veerstalblok ligt één afwijkend peil:
- GPA-986:
Deze peilafwijking omvat percelen van het Natuur Beheer Collectief (NBC), wat al bestaande natuurwaarden kent. Voor de meest optimale omstandigheden voor het realiseren van laagveenbos, kruiden- en faunarijk grasland, vochtig hooiland, nat schraalland en laagveenbos is vanwege de waterkwaliteit een watersysteem gewenst dat zo weinig mogelijk interactie heeft met de omgeving. Vanwege de zeer specifieke doelstellingen op dit beperkt oppervlak wordt dit als afwijkend peil vergund met een flexibel waterpeil van -2,21 / -2,16 m NAP.
4.5. Effecten
De voorgestelde wijzigingen ten opzichte van het peilbesluit uit 2018 leiden tot de volgende effecten:
Natuurontwikkeling
De voorgestelde wijzigingen (grensaanpassingen en inrichting van GPA-986) hebben een positief effect op de natuurdoelstellingen.
Fysisch-chemische waterkwaliteit
De inrichting van peilafwijking GPA-986 heeft een positief effect op de fysisch-chemische waterkwaliteit in die peilafwijking.
Ecologische kwaliteit
De inrichting van peilafwijking GPA-986 heeft een positief effect op de ecologische waterkwaliteit in die peilafwijking.
Bodemdaling
De inrichting van peilafwijking GPA-986 heeft een positief effect op het tegengaan van bodemdaling. Het waterpeil in GPA-986 wordt licht verhoogd ten opzichte van het peilbesluit uit 2018.
Waterhuishouding
Er wordt een stuw toegevoegd ten behoeve van de peilafwijking (GPA-986). De water aan- en afvoerroutes wijzigen niet.
Bovengrondse infrastructuur
De voorgestelde wijzigingen hebben geen effect op de bovengrondse infrastructuur.
Kabels en leidingen
De voorgestelde wijzigingen hebben geen effect op kabels en leidingen in de ondergrond.
Er zijn geen overige effecten te verwachten van de wijzigingen ten opzichte van het in 2018 vastgestelde peilbesluit.
4.6. Beheermarge
De waterpeilen zoals omschreven in de voorgaande paragrafen zijn de waterpeilen die worden gehandhaafd binnen dit peilbesluit. Deze waterpeilen gelden onder normale omstandigheden. Fluctuaties als gevolg van aan- en afvoer van water, weersomstandigheden zoals hevige regenval en opwaaiing kunnen voorkomen. Bij het peilbeheer wordt ernaar gestreefd dat het in het peilbesluit vastgelegde waterpeil als gemiddelde van deze fluctuaties wordt bereikt. De grootte van de marges is afhankelijk van de kenmerken van het peilgebied. Belangrijke aspecten hierbij zijn de grootte van het peilgebied, de locatie van een gemaal (met aan- en afslagpeil) en de locatie en kenmerken van stuwen en inlaten. Daarnaast spelen ook de afmetingen en de begroeiing van de (hoofd)watergangen met de daarin aanwezige duikers en bruggen een rol.
4.7. Schouwpeil
Het schouwpeil is het referentieniveau voor de controle van de waterdiepte. In de peilgebieden waar een flexibel waterpeil wordt vastgelegd, is het schouwpeil gelijk aan de ondergrens van de bandbreedte.
Het schouwpeil is opgenomen in het peilbesluit.
Begrippenlijst
Afwijkend peil
Zie Peilafwijking.
Bandbreedte
Het verschil tussen een boven- en ondergrens, bijvoorbeeld bij een flexibel waterpeil.
Beheermarge
De beheermarge is de tijdelijke afwijking van het waterpeil in een peilgebied die optreedt als gevolg van natuurlijke verschijnselen en ingrepen die nodig zijn om het streefpeil te handhaven. Voorbeelden hiervan zijn: tijdelijk verhang door aan en uitzetten van het gemaal, verhoging van het waterpeil tijdens wateraanvoer of door opwaaiing of afwaaiing.
Bodemdaling
Zie maaivelddaling.
Drooglegging
Het hoogteverschil tussen de waterspiegel/het waterpeil in een waterloop en het naastgelegen grondoppervlak/maaiveld.
Flexibel peil
Een peilregime waarin een waterstand tussen een vastgestelde onder- en bovengrens wordt nagestreefd. Dit kan op verschillende manieren ingevuld worden.
Hoogwatervoorziening
Vergunde peilafwijking waar een hoger waterpeil wordt gevoerd dan in het vastgestelde peilgebied. Ook “opmaling” genoemd.
Indexatie
Zie “peilindexatie”.
Maaivelddaling
De mate waarin de bovenkant van de bodem daalt in een bepaalde tijd. Diverse processen kunnen de daling veroorzaken.
Onderbemaling
Vergunde peilafwijking waar een lager waterpeil wordt gevoerd dan in het vastgestelde peilgebied.
Ontwateringsdiepte
Het verschil tussen het maaiveld (bovenzijde grond) en de grondwaterstand op dat punt.
Opmaling
Vergunde peilafwijking waar een hoger waterpeil wordt gevoerd dan in het vastgestelde peilgebied. Ook “hoogwatervoorziening” genoemd.
Peil
Hoogte van het oppervlaktewater ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil). Ook “waterpeil” genoemd.
Peilafweging
Afweging op welke hoogte het waterpeil ingesteld moet worden.
Peilafwijking
Een afgebakend gedeelte van een peilgebied waarvoor een watervergunning van toepassing is voor een van het peilbesluit afwijkend waterpeil. Dit kan een opmaling of hoogwatervoorziening zijn bij een hoger peil. Of een onderbemaling bij een lager peil.
Peilbeheer
Inspanningsverplichting voor het beheren van het waterpeil van het oppervlaktewater in een bepaald gebied, gericht op het handhaven van het vastgestelde peilregime of waterhoogte binnen de vastgestelde bandbreedte.
Peilbesluit
Besluit van een waterschap over de hoogte van het waterpeil.
Peilbesluitgebied
Het gebied waar een besluit van een waterschap over de hoogte van het waterpeil in oppervlaktewater van kracht is.
Peilgebied
Een peilgebied is een waterstaatkundige eenheid waarbinnen hetzelfde waterpeil of peilregime wordt beheerd.
Peilfixatie
Het gelijk houden van het waterpeil ten opzichte van NAP, ook als er sprake is van maaivelddaling.
Peilindexatie
Geleidelijke aanpassing van het waterpeil aan een verandering, zoals de maaivelddaling.
Peilscheiding
Een peilscheiding is een dam, stuw, overstort- of doorlaatconstructie of natuurlijke hoogteligging die twee peilgebieden van elkaar scheidt.
Schouwpeil
In het peilbesluit vastgesteld waterpeil dat het referentieniveau is voor het voeren van de schouw, het afhandelen van vergunningen en het uitvoeren van onderhoud aan watergangen. Bij een flexibel waterpeil wordt in principe de ondergrens aangehouden als schouwpeil.
Veenoxidatie
De afbraak van venig materiaal in de bodem als er zuurstof bij het veen kan komen.
Vigerend peilbesluit
Het op het moment van schrijven (van deze toelichting) officieel van toepassing zijnde peilbesluit.
Waterpeil
Vastgelegde hoogte van het oppervlaktewater ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil). Ook “peil” genoemd.
Waterstand
Hoogte van het oppervlaktewater op een bepaald moment ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil).