Bomenonderzoek kruising Zuidbroekse Opweg-Zuidbroek
Bomen in Projecten
Bomen Effect Analyse (voorlopig ontwerp)
11 september 2025
1. Inleiding
Wij hebben een Bomen Effect Analyse uitgevoerd bij 69 bomen aan de Zuidbroekse Opweg te Berkenwoude.
Het voornemen bestaat om de bestaande brug in de Zuidbroekse Opweg te vervangen. Naar aanleiding hiervan en de bestaande onveilige verkeersituatie is besloten om de gehele kruising met Zuidbroek aan te passen.
Voor het project is een voorlopig ontwerp opgesteld.
Het doel van de BEA is het geven van inzicht in de eventuele gevolgen van de werkzaamheden voor de bomen. De BEA kan dienen als onderbouwing voor het definitieve ontwerp en de werkwijze. Daarbij is het uitgangspunt (van de opdrachtgever) dat het project ongewijzigd doorgang vindt.
In het kader de BEA hebben wij de volgende werkzaamheden uitgevoerd:
- Werkvoorbereiding. Inrichten van een digitaal projectbestand, KLIC-melding en bestuderen van de voorgenomen plannen.
- Plaatsen ontbrekende boompunten en inschatten kroonprojectie. Alle bomen (binnen de invloedssfeer van het project) met een stamdiameter groter dan 5 cm zijn digitaal ingetekend. Dit gebeurt met de grootst mogelijke nauwkeurigheid. Afwijkingen bedragen maximaal 1,5 meter. (Als er goede referentiepunten zijn zoals gebouwen et cetera, is het over het algemeen nauwkeuriger.)
- BEA nulmeting. Zie paragraaf 1.1.
- BEA onderzoek. Zie paragraaf 1.2.
- BEA advies. Zie paragraaf 1.3.
1.1 BEA nulmeting
BEA nulmeting. Om de kwaliteit van de bomen in kaart te brengen, bepalen we het W-cijfer en het boomcijfer. Hiervoor nemen wij de volgende parameters op; boomsoort, conditie, toekomstverwachting, beheerbaarheid en boomkroonvolume. Op basis van deze parameters delen wij de bomen in boomcijfer in (1 tot en met 6). De onderzoeksmethode boomcijfer is opgenomen als bijlage C.
1.2 BEA onderzoek
Projectinvloed. Een bouw- of reconstructieproject kan nadelige effecten hebben op de bomen die binnen het projectgebied staan. Bij de bomen in het projectgebied is de projectinvloed bepaald.
Bodemonderzoek. Steekproefsgewijs graven van profielsleuven en uitvoeren van profielboringen om bodemopbouw, bewortelingspatroon en grondwaterstanden binnen het projectgebied in beeld te brengen.
1.3 BEA advies
Advies opstellen. Formuleren van adviezen met mogelijke wijzigingen / een alternatieve werkwijze en/of te nemen maatregelen om schade aan de te behouden bomen te voorkomen of beperken.
Het veldwerk is uitgevoerd op 25 augustus 2025 door Ruben Brancart en Bart van Vliet, werkzaam als boomadviseurs bij De Boominspecteurs. De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de offerte met kenmerk P250337 van 20 mei 2025.
2. Situatie
2.1 Plangebied en onderzoeksbomen
De onderzoeksbomen staan in de berm en de kaden rond het kruispunt. Het merendeel van de bomen zijn zwarte populieren en knotwilgen met een standplaats in ruw gras.
Geen van de bomen heeft een specifieke beleidsstatus.
2.2 Werkzaamheden en uitgangspunten opdrachtgever
Het uitgangspunt van de opdrachtgever is een ongewijzigde doorgang van het project.
De werkzaamheden bestaan uit:
- Het (gedeeltelijk) dempen van een watergang en ophogen van het maaiveld.
- Het herinrichten van het wegprofiel waarbij bestaande asfaltverharding wordt verwijderd en de ligging van fietspaden en wegen wordt aangepast.
- Het verwijderen van een brug.
- Het afgraven van een kade ter compensatie voor het te dempen wateroppervlak.
2.2.1 Ontwerptekeningen
Bij deze effectenanalyse is gebruik gemaakt van het volgende kaartmateriaal.
- NL202054082-205, Nieuwe situatie ontwerp, 03-06-2025
- NL202054082-207.01, N_lengteprofielen_v1.0, 25-04-2025
- NL202054082-207.02, N_Dwarsprofielen_v1.0, 25-04-2025
2.2.2 Uitgangspunten effectenanalyse
Bij de effectenanalyse zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- Voor het aanleggen of verleggen van het fietspad is tot 50 cm ontgraving nodig ten behoeve van de fundering.
- De afgraving van de kade vindt plaats vanaf de kade zelf waar zich geen bomen bevinden.
3. Resultaten
De resultaten van de inventarisatie zijn beschreven in bijlage A. De resultaten per boom zijn terug te vinden in de inventarisatielijst (bijlage D) en op tekening (bijlage E).
3.1 Boomcijfer
Tabel 1 geeft een overzicht van de indeling van de onderzoeksbomen op basis van het boomcijfer, waarbij de bomen met cijfer 1 de hoogste waardering hebben en de bomen met cijfer 6 de laagste.
| Boomcijfer | Aantal bomen | Toelichting |
|---|---|---|
| 1 | 2 | Boom met een hoge toegevoegde waarde |
| 2 | 10 | Boom met een verhoogde toegevoegde waarde |
| 3 | 25 | Boom met toegevoegde waarde |
| 4 | 19 | Boom met waarde gelijk aan waarde van een nieuwe boom |
| 5 | 13 | Boom met waarde lager dan de waarde van een nieuwe boom |
3.2 Ondergronds onderzoek
Om een beeld te krijgen van de bodemopbouw, beworteling, grondwaterstand en invloed van de uit te voeren werkzaamheden, hebben wij 4 boringen verricht.
De boringen zijn uitgevoerd bij de bomen waarbij wortelschade te verwachten is als gevolg van herinrichting van het wegprofiel.
Hieronder beschrijven wij de belangrijkste bevindingen.
3.2.1 Bodemopbouw
Afhankelijk van de locatie bestaat de bovenste 20 cm beneden maaiveld uit een laag humusarm grof zand met daarin puindelen (langs het fietspad/rijbaan) of matig humeus grof zand. Daaronder is tot 100 cm beneden maaiveld een laag veengrond aangetroffen.
3.3.2 Beworteling
De gehele bodemlaag tot aan de grondwaterstand is intensief doorworteld. Vooral bij de populieren zijn aan de oppervlakte dikke transport- en stabiliteitswortels aanwezig.
Dit is tevens te zien aan de wortelaanzetten rond de bomen. Dunne beworteling en fijne opnamebeworteling zijn tot op het grondwaterpeil waargenomen.
3.2.3 Grondwater
Het grondwater is aangetroffen vanaf 70 à 80 centimeter beneden maaiveld.
3.3 Effectenanalyse
Hieronder beschrijven we de invloed van de werkzaamheden op de bomen.
3.3.1 Werkzaamheden
De belangrijkste werkzaamheden waar de bomen hinder van zullen ondervinden zijn:
- De herinrichting van het wegprofiel (aanleg/verleggen fietspad en kruispunt).
- Het dempen van de watergang.
Het project bevindt zich in de fase van definitief ontwerp.
3.3.2 Knelpunten
Te verwachten valt dat de werkzaamheden de volgende knelpunten voor de bomen zullen opleveren:
Wortelschade. Door graafwerkzaamheden zal (ernstige) wortelschade ontstaan aan (oppervlakkige) beworteling. Schade aan beworteling heeft negatieve effecten voor bomen. Bij wortelschade aan fijne en dunne beworteling zal de opnamecapaciteit (tijdelijk) verminderen, waardoor de conditie terugloopt. Bij wortelschade aan dikke beworteling kunnen daarnaast stabiliteitsproblemen en permanente invalspoorten ontstaan voor houtparasitaire schimmels, zoals honingzwam en dikrandtonderzwam. Deze zwamaantastingen kunnen direct of op termijn de stabiliteit, breukvastheid en toekomstverwachting negatief beïnvloeden.
Ophoging/demping watergang - Stijging grondwaterniveau. Als gevolg van een ophoging of het dempen van een sloot kan de grondwaterstand stijgen. De bomen staan op een grondwaterprofiel en dit kan betekenen dat de dieper gelegen beworteling permanent in de met water verzadigde bodemzone komt te liggen. De beworteling zal dan vanwege zuurstofgebrek afsterven
Verdichting / versmering door berijding van het open maaiveld met zware machines en (tijdelijke) grondopslag / maaiveldverhoging. Wanneer de bodem tot meer dan 3 MPa (megapascal) verdicht wordt, heeft dit een sterk belemmerende invloed op de wortelgroei (ophoping van bodemgassen, zuurstofgebrek, ondoordringbaarheid van de bodem voor boomwortels, et cetera).
Stam- of kroonschade door werken nabij bomen met (grote) machines. Door beschadiging van bastweefsel kan het transport van water en voedingstoffen in de boom onderbroken of belemmerd worden. Bij schade aan het houtweefsel kunnen invalspoorten ontstaan voor houtparasitaire schimmels.
3.3.3 Projectinvloed
Bij het bepalen van de projectinvloed worden de bomen per knelpunt ingedeeld in de volgende categorieën:
- Verbeterd: Het project biedt kansen voor betere groeivoorwaarden voor de boom.
- Voldoende: Het project vormt geen bedreiging voor het (duurzaam) behoud van de boom.
- Matig: Het project vormt een zekere bedreiging voor het (duurzaam) behoud van de boom.
- Onvoldoende: Het project vormt een ernstige bedreiging voor het behoud van de boom.
- Slecht: De impact van het project is zodanig dat behoud van de boom alleen met een gewijzigd ontwerp mogelijk is.
Verbeterd: 0
Voldoende: 49
Matig: 5
Onvoldoende: 1
Slecht: 14
De effecten van de voorgenomen werkzaamheden zijn per boom weergegeven in de inventarisatielijst (bijlage D) en op de overzichtstekening (bijlage E). Bij verwijzing naar boomnummers wordt gebruik gemaakt van het alternatief boomnummer (aangemaakt voor dit project).
49 bomen ondervinden geen invloed van de werkzaamheden (projectinvloed ‘Voldoende’). Dit zijn de bomen die op grotere afstand van de werkzaamheden staan en waar geen schade te verwachten is.
5 bomen ondervinden een beperkte invloed van de werkzaamheden (projectinvloed ‘Matig’). Dit betreft bomen waarbij graafwerkzaamheden voor aanpassingen aan het fietspad schade aan beworteling buiten of op de rand van de stabiliteitskluit kunnen veroorzaken.
1 boom (nummer 41) ondervindt een aanzienlijke invloed van de werkzaamheden (projectinvloed ‘Onvoldoende’). De zwarte els heeft een onvoldoende conditie en is ernstig aangetast door wilgenhoutrups. Bij de boom wordt het wegprofiel aangepast waardoor een deel van de groeiplaats opgehoogd wordt met groeiplaatsschade tot gevolg. Tevens bestaat de kans dat wortelschade optreedt bij het verbreden van de fundering.
14 bomen ondervinden een fatale invloed van de werkzaamheden (projectinvloed
‘Slecht’).
- 13 bomen waarbij in de nieuwe situatie een fietspad wordt aangelegd binnen de stabiliteitskluit van de bomen en tevens de watergang (deels) wordt gedempt.
- 1 boom (nummer 46), een zwarte populier met een onvoldoende conditie en oppervlakkige stabiliteitswortels, ondervindt fatale wortelschade vanwege de herinrichting van het fietspad waarbij binnen de stabiliteitskluit tot 50 cm diep wordt ontgraven vanwege de nieuwe fundering voor het fietspad.
4. Conclusie en advies
Op basis van de onderzoeksresultaten volgen hieronder de conclusie en het advies.
4.1 Boomcijfer en projectinvloed
- Verbeterd: 0
- Voldoende: 49
- Matig: 5
- Onvoldoende: 1
- Slecht: 14
4.2 Advies voor verdere uitwerking van het plan
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt hieronder een advies verstrekt voor de onderzoeksbomen met het oog op het definitieve ontwerp en de bouwfase.
4.2.1 Verwijderen (15 bomen)
Bij 15 bomen adviseren we de bomen te verwijderen. Het gaat om 14 met een fatale projectinvloed en 1 boom met een aanzienlijke projectinvloed en boomtechnische gebreken.
De 13 bomen op de smalle groenstrook omgeven door water zijn in het nieuwe ontwerp niet te behouden. Dit zijn 9 geknotte Italiaanse populieren en 4 zaailingen
(2 Italiaanse populier, 2 zomereik). De geknotte bomen vertonen rottingen in de stam en stamvoet en zijn eenvoudig te vervangen door nieuwe bomen.
Wij adviseren dan ook deze 13 bomen voorafgaand aan de werkzaamheden te verwijderen en compenseren.
1 boom (nummer 46), een zwarte populier met een onvoldoende conditie, ondervindt fatale wortelschade als gevolg van het ontwerp. Een aanpassing in het ontwerp door het fietspad verder van de boom af te situeren ligt niet voor de hand vanwege de invloed op andere bomen en de verkeersveiligheid. Wij adviseren daarom deze boom voorafgaand aan de werkzaamheden te verwijderen en te compenseren. Hierdoor kan de bocht in het fietspad ook nog enigszins flauwer verlopen zodat meer afstand wordt gehouden tot boom 48 en deze minder negatieve invloed ondervindt.
1 boom (nummer 41), de zwarte els met een onvoldoende conditie en ernstige aantasting door wilgenhoutrups, ondervindt een aanzienlijke invloed van de werkzaamheden en zal naar verwachting vroegtijdig afsterven. Vanwege de beperkte toekomstverwachting adviseren wij de boom te verwijderen en te compenseren.
4.2.2 Opstellen werkplan (5 bomen)
Voor de 5 bomen waarbij een matige projectinvloed wordt verwacht adviseren wij een werkplan op te stellen waarbij de volgende maatregelen van belang zijn;
- De ontgraving voor de fundering van het toekomstige fietspad beperken tot maximaal 50 cm beneden maaiveld.
- Waar mogelijk de bestaande fundering onder te behouden paden en wegen handhaven en alleen de bovenste asfaltlagen te vervangen.
- Daar waar de verharding wordt opgeheven de funderingslaag tot maximaal 50 cm diepte verwijderen en invullen met bomengrond of teelaarde.
- Daarnaast kunnen maatregelen voor standaard boombescherming (paragraaf 4.2.3) worden geborgd in het werkplan.
4.2.3 Standaard boombescherming (49 bomen)
Voor de overige 49 bomen in het projectgebied adviseren wij standaard boombeschermende maatregelen te treffen tijdens de werkzaamheden. Hierbij zijn met name het afschermen van de groeiplaats en voorkomen van verdichting door zware machines van belang. Deze maatregelen worden toegelicht in bijlagen F en G.
4.2.2 Bomenbalans
De totale hoeveelheid boomkroonvolume (BKV) van de 69 bomen binnen het projectgebied bedraagt: 29.205 m3. Onderstaande tabel 3 geeft een samenvattend overzicht over de bomen binnen het project per adviesstatus.
| Advies naar aanleiding van het project | Aantal behouden | Behoud in kubieke meters | Aantal verlies | Verlies in kubieke meters |
|---|---|---|---|---|
| Opstellen werkplan | 5 | 3.670 | ||
| Standaard boombescherming | 49 | 23.515 | ||
| Verwijderen | 15 | 2.0203 | ||
| Totaal | 54 | 27.185 | 15 | 2.0203 |
De totale waarde aan BKV die verloren gaat op basis van deze beoordeling is 2.030 m3. Voor deze bomen is compensatie nodig om het verlies van kroonvolume op termijn weer te herstellen.
4.2.5 Compensatie
Op basis van het boomkroonvolume dat verloren gaat bij de verdere ontwikkeling van het plan, kan een compensatieplan worden opgesteld. Uitgangspunt is dat het eindbeeld met de vervangende beplanting ten minste gelijkwaardig is aan het beeld van de huidige aanplant.
4.2.6 Toelichting boombescherming
Gedurende het project moet rekening worden gehouden met algemene uitgangspunten voor het beschermen van bomen. Deze adviezen en richtlijnen zijn opgenomen in bijlage B (niet opgenomen op deze website).
Bijlage A Resultaten inventarisatie
In totaal hebben wij 69 bomen beoordeeld volgens de methode Boomcijfer. Het boomcijfer is gebaseerd op de volgende parameters:
- Boomsoort
- Stelpost boomkroonvolume (in kubieke meters)
- Conditie
- Toekomstverwachting
- Beheerbaarheid
In de volgende alinea’s worden de beoordelingsresultaten van bovengenoemde parameters besproken. Voor conditie, toekomstverwachting en beheerbaarheid worden de waargenomen knelpunten weergegeven. Op deze manier wordt de beoordeling van deze parameters onderbouwd.
De onderzoeksresultaten zijn per boom weergegeven in de inventarisatielijst in bijlage D. Op de overzichtstekening in bijlage E zijn de beoordelingsresultaten van conditie, toekomstverwachting en beheerbaarheid per boom weergegeven. De kaart bevat per thema een laag, die (in Acrobat Reader) aangezet en uitgezet kan worden om specifieke resultaten te bekijken.
Boomsoort en stelpost boomkroonvolume (in kubieke meters)
Tabel 1 geeft een overzicht van het aantal bomen en het boomkroonvolume (BKV) per aangetroffen soort.
| Boomsoort | Aantal | Som BKV (in kubieke meters) |
|---|---|---|
| Zwarte populier (Populus nigra) | 20 | 23.820 |
| Schietwilg (Salix alba) | 14 | 1.635 |
|
Italiaanse populier (Populus nigra 'Italica') |
11 | 330 |
| Zwarte els (Alnus glutinosa) | 8 | 800 |
| Zomereik (Quercus robur) | 5 | 1.820 |
| Goudberk (Betula ermanii) | 2 | 60 |
|
Gewone plataan (Platanus x hispanica) |
2 | 300 |
| Ruwe berk (Betula pendula) | 2 | 190 |
| Walnoot (Juglans regia) | 1 | 20 |
| Veldesdoorn (Acer campestre) | 1 | 150 |
|
Gewone esdoorn cv. (Acer pseudoplatanus cv.) |
1 | 20 |
|
Gewone esdoorn cv.(Acer pseudoplatanus 'Atropurpureum') |
1 | 40 |
| Gewone es (Fraxinus excelsior) | 1 | 20 |
| Totaal | 69 | 29.205 |
Conditie
In onderstaand overzicht is de conditiebeoordeling weergegeven. Bij de beoordeling van de conditie wordt gekeken naar groeiontwikkeling van de boom. Deze is af te lezen aan de kroonstructuur en de blad-, naald- of knopbezetting en scheutlengte.
Voor de bomen met een onvoldoende of slechte conditie geldt dat er knelpunten zijn waargenomen, deze zijn in tabel 2 genoemd. Per boom kunnen meerdere knelpunten van toepassing zijn. Het belangrijkste knelpunt is een verminderde twijgbezetting.
- Goed: 2
- Voldoende: 55
- Onvoldoende: 11
- Slecht: 1
| Knelpunten conditie | Aantal |
|---|---|
| Verminderde twijgbezetting | 8 |
| Vroegtijdige groeistagnatie | 2 |
| Ziekte of aantasting | 1 |
| Natuurlijk aftakelingsproces | 1 |
| Afstervende (gestel)takken | 1 |
Toekomstverwachting
In het overzicht hieronder is de bepaling van de toekomstverwachting weergegeven. Bij de bepaling van de toekomstverwachting wordt gekeken naar aanwezigheid van gebreken die van invloed kunnen zijn op de levensduur van de boom.
In tabel 3 zijn de knelpunten opgesomd die bij de onderzoeksbomen zijn waargenomen bij de bepaling van de toekomstverwachting. Per boom kunnen meerdere knelpunten van toepassing zijn.
- Langer dan 15 jaar: 51
- 5 tot 15 jaar: 16
- 1 tot 5 jaar: 2
| Knelpunten toekomstverwachting | Aantal |
|---|---|
| Conditie gerelateerd | 7 |
| Ziekte | 1 |
| Schadelijk insect | 1 |
| Knelpunt breukvastheid | 9 |
Beheerbaarheid
Bij de beoordeling van de beheerbaarheid wordt gekeken naar de directe omgeving van de boom en eventuele knelpunten met het oog op de ruimte rond de boom.
De beheerbaarheid is bij 43 bomen als goed beoordeeld en bij 26 bomen als voldoende. In de huidige situatie zijn geen knelpunten waargenomen. Voor de bomen met een voldoende beheerbaarheid is periodieke snoei nodig om overlast door overhangende takken en/of een belemmering van de doorrijhoogte te voorkomen.
W-cijfer
Op basis van de parameters conditie, toekomstverwachting, beheerbaarheid en het boomkroonvolume is het W-cijfer bepaald. In de onderstaande tabel 4 worden de resultaten van de bepaling van het W-cijfer weergegeven. Voor het W-cijfer geldt dat W0 de laagste waardering is en W10 de hoogste.
| W-cijfer | Aantal bomen |
|---|---|
| W10 | 12 |
| W8 | 4 |
| W7 | 32 |
| W6 | 3 |
| W4 | 16 |
| W2 | 2 |
Boomcijfer
De bomen worden in gedeeld op basis van boomcijfer 1 tot en met 6, waarbij 6 de laagste waardering is en 1 de hoogste. In de communicatie kan het boomcijfer worden toegepast als een NEN-normering.
- Klasse 1: 2
- Klasse 2: 10
- Klasse 3: 25
- Klasse 4: 19
- Klasse 5: 13
- Klasse 6: 0
Bijlage C Onderzoeksmethode boomcijfer
Methodiek W-cijfer conform Handboek Bomen 2022
De boomkwaliteit kan worden gewaardeerd met het W-cijfer, conform de systematiek van het Handboek Bomen 2022. Voor het W-cijfer wordt de boom beoordeeld op basis van 4 parameters:
- de conditie
- de toekomstverwachting
- de beheerbaarheid
- het boomkroonvolume (BKV)
Onderstaand is beschreven op welke wijze bomen worden beoordeeld binnen de methodiek van het W-cijfer.
Conditie
Bij de conditiebeoordeling is met name gekeken naar de groeiontwikkeling van de boom. Bepalend in de beoordeling is met name de kroonstructuur van de boom die gevormd wordt door twijgontwikkeling. De groei kan toenemen doordat twijgen zich verlengen, maar ook afnemen wanneer tak- of twijghout afsterft.
In onderstaande tabel worden de waarderingsklassen voor conditie nader toegelicht.
| Waarderingsklasse conditie | Omschrijving |
|---|---|
| Goed | De boom vertoont een krachtige groei. |
| Voldoende |
Het kroonvolume neemt toe en er zijn geen verstoorde groeikenmerken zichtbaar. |
| Onvoldoende |
Er zijn verstoorde groeikenmerken zichtbaar zoals (vroegtijdig) gestagneerde groei of de kroon wordt transparant als gevolg van twijgsterfte. |
| Slecht | Het kroonvolume neemt jaarlijks zichtbaar af als gevolg van taksterfte. |
| Zeer slecht | De boom is afgestorven. |
Toekomstverwachting
De toekomstverwachting wordt bepaald op basis van de parameters conditie, veiligheid, en de specifieke eigenschappen van de boomsoort. Naast de waardering van de conditie zijn voor de beoordeling van de boomveiligheid ook waarderingsklassen opgesteld. De specifieke eigenschappen van de boomsoort worden beoordeeld op basis van boomtechnische kennis en ervaring. De beoordeling van de toekomstverwachting is een momentopname, waarbij wordt uitgegaan van gelijkblijvende omstandigheden.
Aan het einde van de gestelde toekomstverwachting is de boom op zijn standplaats niet meer (veilig) in stand te houden. Dit kan betekenen dat de toekomstverwachting kan afwijken van de biologische levensduur van een boom.
In onderstaande tabel worden de waarderingsklassen voor toekomstverwachting nader toegelicht.
| Waarderingsklasse toekomstverwachting | Omschrijving |
|---|---|
| > 15 jaar | Op basis van de waardering voor conditie en veiligheid, en soortspecifieke boomkenmerken is de verwachting dat de boom ten minste 15 jaar te behouden is. |
| 5-15 jaar | Op basis van de waardering voor conditie en veiligheid, en soortspecifieke boomkenmerken is de verwachting dat de boom binnen 5 tot 15 jaar niet meer te behouden is. |
| 1-5 jaar | Op basis van de waardering voor conditie en veiligheid, en soortspecifieke boomkenmerken is de verwachting dat de boom binnen 1 tot 5 jaar niet meer te behouden is. |
| < 1 jaar | Op basis van de waardering voor conditie en veiligheid, en soortspecifieke boomkenmerken is de boom binnen 1 jaar niet meer in stand te houden. |
Hierna worden de beoordeling van de parameters veiligheid en specifieke eigenschappen van de boomsoort nader toegelicht. De beoordelingsmethodiek voor de parameter conditie is in de voorgaande paragraaf onderbouwd. Een (sterk) verminderde conditie van de boom zal afhankelijk van de specifieke eigenschappen van de boomsoort van invloed zijn op de toekomstverwachting voor de boom.
Veiligheid
Bij de beoordeling van de veiligheid wordt gekeken naar biologische en mechanische aspecten die van invloed kunnen zijn op de stabiliteit en breukveiligheid van de boom. Voorbeelden hiervan zijn schimmelaantastingen, holten, houtscheuren, overbelaste takken en plakoksels. Deze kunnen leiden tot een verhoogde kans op stambreuk, takbreuk en/of windworp. Waargenomen gebreken leiden altijd tot een veiligheidsmaatregel.
Vertoont een boom geen noemenswaardige gebreken in het kader van de veiligheid, dan wordt de veiligheid als goed beoordeeld. In dat geval zijn geen gerichte veiligheidsmaatregelen vereist.
Is er een gebrek aanwezig dat door het uitvoeren van een gangbare onderhoudsmaatregel kan worden weggenomen, dan wordt de veiligheid als voldoende beoordeeld. Zo is grof dood hout van tijdelijke invloed op de veiligheidstoestand van de boom. Met een snoeimaatregel kan het immers weggenomen worden.
Indien de veiligheid als goed of voldoende is beoordeeld, heeft de veiligheidsbeoordeling geen invloed op de toekomstverwachting voor de boom.
Vertoont een boom in het kader van de veiligheid een gebrek of afwijking die niet kan worden weggenomen met het uitvoeren van een reguliere onderhoudsmaatregel, dan is de veiligheidstoestand wel van invloed op de toekomstverwachting voor de boom.
Enerzijds kan het gaan om gebreken die in de huidige situatie een veiligheidsrisico met zich meebrengen. Door het uitvoeren van een ingrijpende onderhoudsmaatregel kan wel het veiligheidsrisico worden weggenomen, maar niet het gebrek zelf. Het kan bijvoorbeeld gaan om een boom met omvangrijke holte in de stam. Met het innemen van de kroon kan het risico op stambreuk weggenomen worden. Het defect in de stam blijft echter aanwezig.
Anderzijds kan het gaan om gebreken die in de toekomst breuk- en/of instabiliteitsgevaar kunnen opleveren. In de huidige situatie is er geen veiligheidsrisico. Vanwege het mogelijke gevaar in de toekomst is als veiligheidsmaatregel ‘Jaarlijkse inspectie’ nodig.
Indien de veiligheid als ‘Onvoldoende’ is beoordeeld, dan is dit van invloed op de toekomstverwachting voor de boom. In de regel zal de toekomstverwachting 1 tot 5 jaar zijn. Bij gunstige soortspecifieke eigenschappen van de boomsoort kan dit 5 tot 15 jaar worden.
Wordt op basis van de veiligheid geadviseerd de boom te ‘Vellen’, dan is de toekomstverwachting voor de boom < 1 jaar.
Nader onderzoek of hercontrole
De toekomstverwachting is niet te beoordelen indien de boom een gebrek heeft waarvan de precieze aard en omvang niet kunnen worden vastgesteld bij de visuele inspectie. In dat geval is nader onderzoek noodzakelijk om het aangetroffen gebrek in kaart te kunnen brengen en daarmee zicht te krijgen op de (mogelijke)
veiligheidsrisico’s.
De toekomstverwachting is eveneens niet te bepalen bij bomen die niet volledig kunnen worden beoordeeld, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van klimopbegroeiing. In dat geval wordt de toekomstverwachting geregistreerd als ‘Niet te beoordelen’.
Specifieke eigenschappen van de boomsoort
Boomsoort in relatie tot conditie
Elke boomsoort heeft zijn eigen unieke eigenschappen. Dit kan knelpunten maar ook kansen geven in het beheer. Behalve de conditie is het regeneratievermogen (of herstelvermogen) van belang. Een linde heeft bijvoorbeeld een veel groter regeneratievermogen dan een beuk.
Daarnaast heeft elke boomsoort een eigen maximale levensduur (theoretische omlooptijd), wat invloed heeft op de toekomstverwachting. Zo is de theoretische omlooptijd van een bolacacia een fractie, vergeleken met de theoretische omlooptijd van een eik.
Boomsoort in relatie tot boomgebreken
Bacteriën en schimmels kunnen een boom ziek maken of de houtstructuur afbreken. Een ernstige ziekte (zoals kastanjebloedingsziekte of essentaksterfte) kan leiden tot het afsterven van de boom. Diverse zwammen breken houtweefsel af, wat bij de boom leidt tot een verhoogde kans op breuk of instabiliteit. Verder kan hout breukgevaarlijk worden door overbelasting of slecht vergroeide houtstructuren.
Onoplosbare (mechanische) gebreken, zoals bijvoorbeeld instabiliteit of defecten in de houtstructuur, zorgen ervoor dat de boom niet meer (duurzaam) beheerd kan worden. De mate waarin ziektes schadelijk kunnen zijn voor de boom wordt bepaald door de combinatie van de unieke eigenschap van de ziekte en de unieke eigenschappen van de boomsoort.
Beheerbaarheid
Bij het beoordelen van de beheerbaarheid wordt antwoord gegeven op de vraag
‘Spelen er knelpunten in het beheer van de boom, of in de aanwezigheid van de boom in de openbare ruimte?’
Hierbij wordt gelet op knelpunten in de openbare ruimte die veroorzaakt worden door de aanwezigheid van de boom (omgevings-gerelateerd). Vaak is er echter samenhang tussen boom-gerelateerde en omgevings-gerelateerde problematiek.
Zo houdt een verminderde conditie van de boom (boom-gerelateerd knelpunt) vaak verband met een knelpunt in de ondergrondse groeiplaats en een ondergronds probleem resulteert veelal in bijkomende gevolgen zoals wortelopdruk (omgevings- gerelateerd).
Omgevings-gerelateerde knelpunten
Omgevings-gerelateerde knelpunten komen voort uit de eisen die de (openbare) ruimte rond de boom stelt. De boom moet ‘passen’ binnen de beschikbare ruimte en zo min mogelijk de andere functies binnen de openbare ruimte hinderen.
De eisen aan en functie van de (openbare) ruimte rond de boom hebben grote invloed op het al dan niet aanwezig zijn van knelpunten in het beheer. Zo zal een solitair staande boom in gazon met voldoende boven- en ondergrondse groeiruimte over het algemeen geen knelpunten veroorzaken.
Bij bomen in stedelijk gebied zijn er vaak wel knelpunten in de boven- en/of ondergrondse groeiplaats, zoals bestratingsopdruk, frequente (gevel)snoei, ingroei van wortels in riool et cetera.
Bomen kunnen elkaar ook hinderen in hun ontwikkeling. Als de onderlinge plantafstand van bomen beperkt is, kan ernstige concurrentie ontstaan. Zolang deze concurrentie gelijk opgaat, zullen de bomen zich tot gelijke omvang ontwikkelen en is er geen knelpunt. Indien één van de bomen de concurrentie verliest, heeft dit een negatieve invloed op de beheerbaarheid van deze boom.
De waardering ‘Onvoldoende’ zal toegekend worden aan bomen die met een volledig uitgegroeide kroon niet langer in stand zijn te houden. Dit betreft bomen die in het ontwerp aangeplant zijn als boomtype vrij- of niet vrij-uitgroeiende boom, en in het verleden zijn gekandelaberd of een actueel advies hebben om te kandelaberen. Het periodiek terugzetten van een boom wordt gezien als een ingrijpende maatregel.
Naast verhoogde beheerkosten wordt met terugzetten van de boom ook het kroonvolume fors gereduceerd.
In onderstaande tabel worden de waarderingsklassen voor beheerbaarheid nader toegelicht.
| Waarderingsklasse beheerbaarheid | Omschrijving |
|---|---|
| Goed | Geen knelpunten verwacht binnen de beoogde omlooptijd. |
| Voldoende | Het knelpunt is beheersbaar en voor een periode van meer dan 15 jaar weg te nemen. Ingrijpende aanpassingen aan de inrichting van de openbare ruimte zijn niet nodig. |
| Onvoldoende | Het knelpunt is beheersbaar door het uitvoeren van terugkerende maatregelen binnen een periode van 15 jaar. Ingrijpende aanpassingen aan de inrichting van de openbare ruimte zijn niet noodzakelijk. |
| Slecht | Het knelpunt is niet beheersbaar. Het in stand houden van de boom is alleen mogelijk met ingrijpende aanpassingen aan de inrichting van de openbare ruimte. |
| Onhoudbaar | Het in stand houden van de boom is niet mogelijk. Geadviseerd wordt de boom te vellen. |
Boomkroonvolume
Het boomkroonvolume (BKV) van de boom wordt bepaald op basis van de boomhoogteklasse en de kroondiameterklasse. Doordat er met klassen gerekend wordt, is het geen exacte berekening van het BKV. Binnen de methodiek van het W cijfer wordt alleen aan de grotere bomen zonder knelpunten een meerwaarde toegekend.
- Voor bomen zonder knelpunten met een BKV kleiner dan 750 m3 is de waardering W7.
- Een BKV van 750 tot 1.250 m3 wordt met een W8 gewaardeerd.
- Bomen zonder knelpunten met een BKV van meer dan 1.250 m3 worden gewaardeerd met een W10.
Methodiek Boomcijfer
In de loop der jaren zijn meerdere waarderingsmethoden voor bomen ontwikkeld. De waardering van een boom is echter meerledig. Een ecologische waardering van een boom is een andere waardering dan van de financiële waarde. De methodiek van het Boomcijfer geeft boombeheerders op basis van objectieve waarnemingen een handvat keuzes te maken in de investeringsbereidheid voor een boom.
In de communicatie met overige stakeholders in de buitenruimte wordt een juiste interpretatie van een boombeoordelingsmethodiek, zoals het W-cijfer, veelal als lastig ervaren. In het beheer van assets in de buitenruimte is een NEN normering gebruikelijk. Het ‘Boomcijfer’ geeft een resultaat dat past binnen de systematiek voor NEN normering. De beoordeling omvat namelijk 6 cijfers (1 t/m 6).
Anders dan overige objecten in de buitenruimte krijgt een boom in ‘nieuwstaat’ niet de hoogste waardering. De parameter die de grootste invloed heeft in de berekening van het boomcijfer is de omvang van de boom (boomhoogte / kroondiameter).
Pas na vele jaren van groei bereikt een boom zijn hoogste waardering. Een boom die wordt aangeplant binnen de openbare ruimte begint altijd met boomcijfer 4. Als een boom goed aanslaat en gaat groeien, kan deze ‘doorgroeien’ naar boomcijfer 3, 2 en 1.
De waardering op basis van de omvang van de boom, kan gecorrigeerd worden als er knelpunten bij een boom worden aangetroffen op gebied van conditie, beheerbaarheid en/of toekomstverwachting. In dat geval wordt de waardering van de boom naar beneden toe bijgesteld.
Zo zal een boom als deze begint af te takelen, terugzakken naar een lagere waardering van het boomcijfer (hoger cijfer).
Bomen die een boomcijfer 5 of 6 scoren, zijn ‘rekenkundig’ minder waard dan een boom die net is aangeplant (boomcijfer 4). Bij ruimtelijke ontwikkelingen ligt het voor de hand bomen met een boomcijfer 5 en 6 te vervangen door nieuwe aanplant. Die nieuwe boom heeft namelijk al een hogere waardering en kan in potentie wél doorgroeien naar een boom met boomcijfer 3, 2 of 1.