De Oude Hollandse Waterlinie

In 1672 viel de Franse koning Lodewijk XIV de Staten van Holland binnen. Om Holland te verdedigen, werden polders tussen verschillende steden onder water gezet.

Dit gebeurde ook ten oosten van Schoonhoven. De Lekdijk werd daar doorgestoken om de Lopikerwaard en de Krimpenerwaard onder water te zetten.

Boeren en dorpsbewoners waren hier niet blij mee en verzetten zich hevig tegen het doorsteken van de dijk. Zij dreigden Schoonhoven in brand te steken. Land kon hierdoor namelijk jaren niet worden gebruikt voor vee en landbouw. Zij wilden liever droge voeten houden. Politieke en militaire redenen wonnen het toch van economische redenen en het water kwam. Maar dat gebeurde heel traag door de lage waterstand op de Lek. Daarop werd besloten snel de Vlistkade op te hogen, zodat de waard ten westen van de Vlist droog bleef. Deze kade heet nu de Fransekade. Hierdoor hield het overgrote deel van de Krimpenerwaard droge voeten.

Water houdt Fransen tegen

De lange aaneengesloten grens van water die tussen de steden ontstond, was de Oude Hollandse Waterlinie. Deze liep van de Zuiderzee (nu het IJsselmeer) tot Heusden in Brabant en was ongeveer een halve meter diep. Te ondiep om door te varen en te diep om sloten nog te kunnen zien. Franse soldaten die alleen maar door de waterlinie konden lopen, konden daardoor plotseling in een sloot vallen. Anderhalf jaar lang heeft het Franse leger geprobeerd wegen door de waterlinie te vinden. Dat is ze niet gelukt. In november 1673 moesten zij zich terugtrekken. Het doel was daarmee bereikt. Een maand later begonnen de Hollanders met het droogmalen van de polders.