Droogmakerij

Door de vorming van molenpolders en het op grote schaal voorkomen van turfwinning werd de waterstaatkundige situatie een stuk ingewikkelder.

De polders kregen een apart bestuur dat evenals de besturen van de ambachten onder toezicht van dijkgraaf en hoogheemraden kwam te staan. Dit toezicht kreeg vorm in het jaarlijks controleren van de rekeningen. Ook het hoogheemraadschap zelf onderging de nodige veranderingen. In de middeleeuwen bestond het bestuur hoofdzakelijk uit de landadel. Aan het eind van de 16de eeuw kwam hier verandering in. De invloed van de steden nam toe, handel en nijverheid groeiden sterk. Rotterdam breidde de stad uit aan de rivierkant (buitendijks) met havencomplexen. Hierdoor kwam Schielands Hoge Zeedijk midden in de stad te liggen. Meer greep op het platteland was een van de voorwaarden van een bloeiende stedelijke economie. In 1572 zag Rotterdam zijn kans schoon zich van enkele plaatsen te verzekeren in het bestuur van Schieland. Enkele hoogheemraden waren namelijk meegetrokken met het wegtrekkende Spaanse leger. In 1576 kocht de stad zelfs het baljuw- en dijkgraafschap van Schieland. Vanaf nu werd de toon gezet door de stedelijke elite. In de 17de eeuw vertaalde zich dit naar een toenemende drang tot representatie. In 1646 werd het nieuwe gemeenlandshuis in gebruik genomen, het Schielandshuis. Het was een stadspaleisje, wat Schieland een stuk meer allure gaf. Ook op het gebied van cartografie manifesteerde Schieland zich. In 1611 werd de eerste overzichtskaart van het gebied vervaardigd door Floris Balthasars. In 1653 maakte Jan Jansz. Stampioen op basis van nieuwe metingen een compleet nieuwe en heel nauwkeurige kaart. De eerste droogmakerij In de 17de eeuw werden ook de eerste veenplassen drooggemaakt. De door het slagturven ontstane plassen waren waardeloos, tenzij ze zouden worden drooggelegd en herschapen in vruchtbaar land. In de eerste helft van de 17de eeuw werden verschillende droogmakingsinitiatieven ontplooid in Noord-Holland. Meren als de Beemster, Schermer en Purmer werden vruchtbare polders. Gaandeweg kwam ook in Zuid-Holland aandacht voor het droogmaken van plassen. Investeerders die in Noord[1]Holland bij de droogmakingen betrokken waren, participeerden ook in Zuid-Hollandse droogmakerijen. De eerste droogmakerij in Schieland was de Wilde Veenen onder Moerkapelle. Deze droogmakerij werd voltooid in 1660 en was al aangetekend op de kaart van Stampioen in 1653. Een eerder droogmakingsproject was niet succesvol. Al in 1633 probeerde men het IJsselmeer, een meertje dat midden in de Wollefoppenpolder lag, droog te maken, maar twee jaar later brak de dijk en liep het meer weer vol. De droogmaking van de Wilde Veenen slaagde wel. Schielands dijkgraaf Daniël van Hogendorp had hierin een groot aandeel. Toch was het maar een druppel op een gloeiende plaat, want rondom de droogmakerij vloeiden de veenplassen aaneen. Op den duur vormde de polder met zijn oppervlakte van 580 morgen slechts een eilandje in een binnenzee van 13.000 morgen. De 18de eeuw Toch ging in de 18de eeuw het droogmaken verder, maar er was nu niet meer zozeer belangstelling van avontuurlijke investeerders. De Gouden Eeuw was voorbij en de economische klimaat werd ongunstiger. Het initiatief kwam steeds meer voort uit de lokale besturen. De veenplassen waren toch wel lastig en bedreigden soms dorpskernen. Ook het reizen van de ene naar de andere plaats werd een stuk moeilijker. De eerstvolgende droogmakerij was de Binnenwegse polder. Deze polder viel tot 1851 onder jurisdictie van Rijnland, maar werd, nadat het ambacht Zegwaard na verkregen octrooi er niet in slaagde de droogmaking te verwezenlijken, uiteindelijk met behulp van subsidies van Delfland en Schieland door de stad Rotterdam in 1712 drooggemaakt. Spoedig volgden de Honderdveertig Morgen, de Tweemanspolder, de Eendrachtspolder en de Bleiswijkse droogmakerij. Uitbreiding van de Rottecapaciteit Al deze droogmakerijen hadden grote gevolgen voor de afwatering in Schieland. In de consenten tot droogmaking was ook begrepen dat de nieuwe polders ongelimiteerd mochten afwateren op Schielands boezemwater. Dit leidde tot capaciteitsproblemen, voornamelijk van de Rotte. De waterstand in dit riviertje steeg soms zo hoog dat de binnenstad van Rotterdam overstroomde. Geheel op eigen initiatief legde Rotterdam daarom in 1741 buiten de Oostpoort een tweede boezem of kolk aan om de capaciteit van de boezem te vergroten. Een grote stenen watermolen met twee schepraderen, de Kostverlorenmolen, moest het opnemen tegen 31 op de Rotte uitmalende poldermolens. Toen deze tweede boezem in de loop van de 18de eeuw nog niet voldoende bleek, besloot het bestuur van Schieland tot de aanleg van de Hoge Boezem. Het plan bestond uit de aanleg van twee evenwijdig aan elkaar lopende kanalen. In de eerste plaats de Lage Boezem, een kanaal van 1700 meter lang en 25 meter breed. Hiermee werd de capaciteit van de Rotte bij het uitwateringspunt vergroot. Vervolgens werd de Hoge Boezem gegraven, een kanaal van 2250 meter lang dat verbonden werd met de kolk bij de Kostverlorenmolen. Op de kade tussen beide boezems kwamen acht grote molens te staan die het water van de Lage in de Hoge Boezem maalden. In de Hoge Boezem kon het water worden opgemalen tot een meter boven Rottepeil. Hierdoor bleef het peil van de Rotte dusdanig laag dat de poldermolens konden blijven uitwateren. De 19de eeuw Ook in de 19de eeuw ging het droogmaken onverdroten voort. De twee grootste droogmakingsprojecten in deze eeuw waren de Zuidplas en de Kleine Plas. Dit leidde tot twee nieuwe grote polders: de Zuidplaspolder en de polder Prins Alexander. Opmerkelijk is dat deze droogmakerijen bekostigd werden door de Staat.