Het hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard
De directe aanleiding vormde de Sint Elisabethsvloed van 1421, waarbij de Grote Waard in Zuid-Holland (de huidige Biesbosch) helemaal onderliep en tientallen dorpen verdronken. Het water ging nu ook een bedreiging vormen voor de Krimpenerwaard, waardoor meer aandacht moest worden besteed aan de zorg voor de rivierdijken. Het gebied van de Krimpenerwaard werd omsloten door rivieren. In het zuiden stroomde de Lek, in het westen en noordwesten de Hollandse IJssel en in het noordoosten en oosten de Vlist. In de waard zorgden vanouds de ambachten voor de rivierdijken. Elk ambacht had de zorg over het stuk dijk wat op zijn grondgebied lag. Het was echter noodzakelijk de dijkzorg te centraliseren en onder te brengen bij één college. Vanwege de Hoekse en Kabeljauwse twisten duurde het nog negen jaar voordat het landsheerlijk gezag een oorkonde uitvaardigde waarin het Dijkscollege van de Krimpenerwaard werd geïnstitueerd. Dit college van dijkgraaf en hoogheemraden zorgde voor de rivierwaterkeringen, terwijl de ambachten verantwoordelijk bleven voor de lokale waterstaatswerken. Het aantal hoogheemraden bedroeg zeven, waarvan er zes werden benoemd door de steden Dordrecht, Gouda en Schoonhoven die alle drie grond in de Krimpenerwaard bezaten. Naast het Dijkscollege bestond er een college van Kavelen. Het hele gebied van het hoogheemraadschap werd verdeeld in een viertal districten, kavels genoemd. In elk district – dat uit een aantal ambachten bestond - werd een vertegenwoordiger aangewezen, ook een Kavel genoemd. Deze Kavels hadden een toezichthoudende taak op het financieel beheer van het Dijkscollege. Het betekent ook dat het Dijkscollege niet zomaar naar eigen inzicht kon handelen. Kavels zijn te vergelijken met het college van Gecommitteerde Ingelanden, zoals dat in sommige andere waterschappen fungeerde. Het landschap De Krimpenerwaard ontwikkelde zich heel anders dan Schieland. Het oorspronkelijke ontginningslandschap (ook wel veenweidelandschap genoemd) bleef lang behouden omdat in de Krimpenerwaard nooit serieuze turfwinning heeft plaatsgevonden. De reden hiervoor was de slechte kwaliteit van het veen. Omdat er regelmatig rivieroverstromingen plaatsvonden, was het veen vermengd met kleiig slib, wat ervoor zorgde dat de turf die hieruit gewonnen werd, niet goed brandde. In het gebied ontwikkelden zich gemengde bedrijven van zowel akkerbouw als veeteelt. Verstedelijking kwam niet voor. Alleen aan de randen ontwikkelden zich steden als Gouda en Schoonhoven. Een bijzonder product wat vanaf de 17de eeuw in de Krimpenerwaard werd geteeld is hennep. De vezels die uit deze plant werden gewonnen, werden gebruikt voor het maken van touw en visnetten. Vooral door de bloei van de visserij en het toenemend aantal scheepsbewegingen door de groeiende handel in de Gouden Eeuw was het telen van hennep een lucratieve bezigheid. Hennepplanten konden zo’n twee tot drie meter hoog worden. In augustus vond de oogst plaats. De planten werden in bossen bijeen gebonden en enkele dagen in een sloot gezet om te ‘roten’. Hierdoor rotte de lijmige stof weg tussen de vezels van de bast en de houten kern, wat een vreselijke stank tot gevolg had. Daarna volgde het droogproces, waarna de vezels van de kern werden gehaald en vervolgens verkocht aan de touwslagerijen in Gouda, Oudewater, Montfoort en IJsselstein. Eenmaal is toch een poging ondernomen om ook in de Krimpenerwaard turf te winnen, hoewel behoorlijk laat in vergelijking met andere turfwinningsprojecten. In 1778 stelde Petrus Verhoeff, oud-baljuw, schout en secretaris van de vrije heerlijkheid van de Lek, Lekkerkerk en Zuidbroek een plan op tot vervening en droogmaking van ongeveer de helft van de Krimpenerwaard. Het gebied was economisch in verval, voornamelijk door enkele rivieroverstromingen eerder in de 18de eeuw. Turfwinning moest het gebied opwaarderen. Een groep van 22 grondeigenaren benoemde drie commissarissen om namens hen op te treden. Het waren rijke stedelingen uit Amsterdam, Leiden en Den Haag. Zij lieten Cornelis Redelijkheid een plan opstellen en dienden in 1782 bij de Staten van Holland een verzoek in om octrooi te verkrijgen. De Staten vroegen advies aan het Dijkscollege van de Krimpenerwaard. Vanwege verdeeldheid van het college duurde het tot 1797 voor het octrooi werd verleend. Toen het project eenmaal van start ging, bleek de turf van zulke slechte kwaliteit te zijn, dat niet lang daarna het project een stille dood stierf. Restanten zijn nog altijd in het landschap te zien in de vorm van de Stolwijkervaart en de Stolwijkersluis. Beiden doen geen dienst, maar behoren toch bij het cultuurhistorisch erfgoed van het gebied. Schaalvergroting Ook in de Krimpenerwaard leidde de schaalvergroting in de waterschapswereld in de tweede helft van de 20ste eeuw tot opheffing van de polders. Dit allemaal als gevolg van de invoering van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (WVO) die op 1 januari 1975 van kracht werd. Naar aanleiding van deze wet kwam er meer aandacht voor het waterkwaliteitsbeheer, waaronder de zuiveringstaak. Het was aan de provincies om te bepalen wie deze kwaliteitsbeheerder zou worden. In Zuid-Holland werd deze nieuwe taak toebedeeld aan de waterschappen. Deze moesten daarop wel ingericht zijn. Kleine waterschappen en polders konden deze taak niet voor hun rekening nemen. Als norm werd gesteld dat een waterschap moest bestaan uit 10.000 t/m 12.000 hectare omslagplichtige grond. Het hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard bestond uit 13.300 hectare omslagplichtige grond en voldeed dus ruimschoots aan de norm. De meeste polders in de Krimpenerwaard reageerden niet of gelaten op de plannen tot opheffing. De polders Stolwijk en Bergambacht waren echter felle tegenstanders en uitten hun bezwaren in brieven aan de provincie. Beide besturen gaven aan het kwalijk te vinden dat de fusiebesprekingen over hun hoofden heen gevoerd werd. Hoe dan ook, de opheffing ging door en per 1 januari 1975 kwam er een einde aan de autonome waterstaatkundige eenheden binnen de waard. De taken van het hoogheemraadschap werden hiermee uitgebreid met de lokale waterbeheersing. Om de afstand tussen bestuur en ingelanden niet te groot te laten worden, werden districtsbesturen ingesteld. Zoals er in het verleden een viertal Kavels was, kwamen er nu vier districtsbesturen. Later werd de Stormpolder als vijfde district aan het hoogheemraadschap toegevoegd. Een districtsbestuur bestond uit een hoogheemraad, die veelal voorzitter was, en een aantal hoofdingelanden van de categorieën gebouwd en ongebouwd uit het districtsgebied. Hoewel het geen zelfstandige overheidsorganen waren, werden aan de districten wel taken toebedeeld. Het gaat voornamelijk om taken die vroeger tot het pakket van de polderbesturen hoorden: peilbeheersing en het drijven van de schouw. Na een aantal jaren vond er een evaluatie van het waterkwaliteitsbeheer plaats. De provincie kwam tot de conclusie dat er nogal wat mis ging. In 1979 leidde dit tot de oprichting van een apart zuiveringsschap: het Zuiveringsschap Zuid-Hollandse Eilanden en Waarden (ZHEW). Hiermee was het hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard, in tegenstelling tot de oudere hoogheemraadschappen in Zuid-Holland, geen all-in waterschap meer. Door voortschrijdende schaalvergroting vond er op 1 januari 2005 een fusie plaats met het hoogheemraadschap van Schieland en een deel van het ZHEW. Hierdoor ontstond het huidige hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.