Schaalvergroting
Dat begon al na de stormvloed in 1916, maar klonk steeds luider na de watersnoodramp van 1953. Nederland telde toen nog ongeveer 2700 waterschappen, waarvan er velen te klein en niet op hun taak berekend waren. Dit leidde al direct na de ramp tot het opheffen en samenvoegen van enkele polders. Zoute kwel en waterverontreiniging Ook andere problemen die zich na de Tweede Wereldoorlog aandienden vereisten een grootschaliger aanpak. In de eerste plaats speelde het stijgende zoutgehalte een rol. In het laag gelegen Schieland was het grondwater al op geringe diepte zout. Als er te veel oppervlaktewater werd weggemalen, welde dit zout naar boven. Ook het Maaswater werd steeds zouter en kon door de aanleg van de Rotterdamse havens steeds verder het achterland indringen. Dit leidde tot verzilting van het gebied, waaraan pas een eind kwam na aanleg van de Deltawerken. Ook door de kanalisatie van de Neder-Rijn en de Lek, waardoor het water van beide rivieren beter over het land kon worden verdeeld, werd de verzilting tegengegaan. In de tweede plaats kwam er steeds meer aandacht voor de verontreiniging van het oppervlaktewater. Vooral de rivieren waren ernstig vervuild door industriële lozingen, het gebruik van chemicaliën in de landbouw en wasmiddelen in huishoudens. Ook veel gemeenten loosden hun rioolwater ongezuiverd. Lange tijd was het onduidelijk wie de zuivering van het water voor zijn rekening moest nemen. Vanaf 1970, toen de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren van kracht werd, kwam er langzaam meer duidelijkheid. Voortaan was een vergunning nodig van de waterkwaliteitsbeheerder voor het lozen van afvalwater. Dit werden de waterschappen, die daartoe door de provincie Zuid-Holland werden aangewezen. Opheffing van de polders Om deze waterschappen goed te kunnen laten functioneren, moest schaalvergroting worden toegepast. Dit betekende het einde voor alle zelfstandige polders in het gebied van het hoogheemraadschap. Op 1 januari 1974 was de opheffing van de polders een feit. De taken van de polders gingen over naar Schieland dat daarmee het volledige beheer kreeg over alle waterstaatswerken, bemalingen en peilen. Deze opheffing van polders had gevolgen voor het bestuur van Schieland. Het aantal hoogheemraden werd uitgebreid tot zes (drie voor gebouwd en drie voor ongebouwd), terwijl het aantal hoofdingelanden groeide van 24 naar 30. De bepaling dat bestuurders een bepaalde oppervlakte aan grond moesten bezitten kwam te vervallen. Het aantal kiesdistricten werd teruggebracht van vier naar drie: het Stadsdistrict, het Ringvaartdistrict en het Rottedistrict. Elk district kreeg een bestuur wat als schakel tussen Schieland en de ingelanden moest fungeren. Opvallend is dat een districtbestuur bestond uit een hoogheemraad (voorzitter) en enkele hoofdingelanden van Schieland (leden). De districtsbesturen kregen adviserende en beperkte uitvoerende bevoegdheid. Kwaliteitsbeheer Schieland nam zijn waterkwaliteitsbeherende taak serieus. Er werd een bestrijdingsplan opgesteld en het hoogheemraadschap nam in de loop van jaren het beheer van de gemeentelijke rioolwaterzuiveringsinstallaties over. Per 1 januari 1977 kreeg Schieland de actieve kwaliteitszorg, ofwel het zuiveringsbeheer. Vanaf nu had het hoogheemraadschap de zorg voor de zuivering van het afvalwater in het hele gebied en ging het ook zelf zuiveringsinstallaties bouwen. Om deze nieuwe taak te kunnen financieren, werd een nieuwe belasting in het leven geroepen: de verontreinigingsheffing. Ook dit had weer gevolgen voor het bestuur van Schieland. De zogenaamde vervuilers (steden en bedrijven) kregen ook zitting in het algemeen bestuur. Het aantal hoofdingelanden werd uitgebreid van 30 naar 39. Het aantal hoogheemraden bleef gelijk, zij het dat de verdeling anders werd. Vanaf nu zaten er twee voor het ongebouwd, twee voor het gebouwd, een voor de steden en een voor de bedrijven. Nieuwe belanghebbenden Op 1 januari 1992 werd de Waterschapswet ingevoerd. Hiermee werd weer een nieuwe categorie belanghebbenden geïntroduceerd: de ingezetenen. Het bestuur van het hoogheemraadschap kwam er steeds gecompliceerder uit te zien. De bestuursstructuur bleef gehandhaafd, maar de indeling werd aangepast. Het aantal zetels werd gelijk verdeeld over de drie taken van het hoogheemraadschap, dus dertien voor waterkering, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Verdeeld over de belanghebbende categorieën kwam de Verenigde Vergadering (algemeen bestuur) er als volgt uit te zien: zeventien zetels voor de ingezetenen, vijf voor het ongebouwd, negen voor het gebouwd en vier voor de glastuinbouw (deelbelang van gebouwd), drie voor het bedrijfsgebouwd industrieel en een voor het bedrijfsgebouwd agrarisch. Van de zes hoogheemraden vertegenwoordigden er twee de ingezetenen, een elk van de drie andere categorieën en een de glastuinbouw. De zittingsperiode werd bepaald op vier jaar. Fusie In alle besprekingen over schaalvergroting en nieuwe taken was Schielands zelfstandigheid meermalen in het geding. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat wilde grote en slagvaardige waterschappen. Fusie met Delfland is meerdere keren aan de orde geweest, maar het is er nooit van gekomen. Ook een fusie met het waterschap IJsselmonde haalde het niet. Toch kwam er een fusie, maar dan met een andere partner: het hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard. Ook een deel van het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden werd in de fusie betrokken. Per 1 januari 2005 was het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard een feit.