Verstedelijking

Hoewel de steden al vanaf de middeleeuwen aan belangrijkheid wonnen, de groei van de steden in de 19de en 20ste eeuw kende zijn weerga niet.

De belangrijkste stad in het gebied van Schieland is ongetwijfeld Rotterdam. Al in de 17de eeuw breidde deze stad zich uit langs de oevers van de Maas, buitendijks dus. Schielands Hoge Zeedijk liep nu dwars door de stad en verdeelde die in de binnenstad en de zogenaamde waterstad (het buitendijks gelegen deel). In de 19de eeuw breidde de stad zich ook in noordelijke richting uit. Hier lagen de polders Cool, Rubroek en Blommersdijk. Een deel van deze polders werd eerst ontpolderd voor de aanleg van tuinen en bedrijvigheid, maar algauw vestigden zich hier de eerste stadsbewoners uit de overbevolkte binnenstad. Dit deel van Rotterdam werd de polderstad genoemd. Slechte hygiëne Leefbaar kon Rotterdam bijna niet genoemd worden. Vooral in de binnenstad waren de omstandigheden erbarmelijk. Door de alsmaar groeiende bevolking moesten per hectare steeds meer mensen huisvesting zien te vinden. Bestaande huizen werden opgedeeld in meerdere woningen. De grachten en stadswateren waren een bron van verontreiniging doordat ze gebruikt werden voor de lozing van afval en fecaliën. Deze onhygiënische omstandigheden leidden in de 19de eeuw tot het uitbreken van cholera. Ook in de polderstad waren de omstandigheden slecht. Dit deel van de stad lag lager en was veel vochtiger, ook ideaal voor het ontstaan van ziekten. Het Waterproject Langzaam maar zeker werden de onleefbare omstandigheden ook door de stadsbestuurders erkend. Stadsarchitect W.N. Rose en Schielands fabrieklandmeter J.A. Scholten Hzn. maakten in 1842 een plan om de waterverversing te verbeteren. Dit plan kwam in de ijskast. In 1854 werd er een nieuw plan ontworpen, waarin ook het eerdere plan van 1842 was meegenomen. In 1858 werd er uitvoering aan gegeven. Het ging de geschiedenis in als het Waterproject. Er werden singelweteringen aangelegd in de polderstad, om het bewoonde deel af te scheiden van het landelijk deel. Ook werd een systeem bedacht voor het doorspoelen van de grachten. Om de boezem van Schieland niet in gevaar te brengen, werd het stadswater van Rotterdam afgescheiden van het boezemwater. Verder werden er sluizen aangelegd om schoon Maaswater te kunnen inlaten dat via de stadsvesten tot in de polderstad kon komen. Met behulp van stoomgemalen werd dat weer teruggepompt naar de Maas. In 1863 was het project voltooid. Een groeiende stad In de tweede helft van de 19de eeuw ging de uitbreiding van de stad door. Veel omliggende dorpen werden geannexeerd, tot aan Hoek van Holland toe. Ook de ontpoldering ging door. Onderstaande tabel geeft weer hoe het grondgebied van de stad ongeveer een halve eeuw meer dan vertienvoudigde. Groei van stad Rotterdam Jaar Aantal hectare 1860 754 1886 1728 1904 5842 1914 9132 De Rotte was Schielands belangrijkste boezemwater. Een groot deel van de polders en droogmakerijen in Schieland waterde op de Rotte af. In het verleden had dit al meermalen voor capaciteitsproblemen gezorgd. Dit was ook in de tweede helft van de 19de eeuw het geval. In 1869 werd de Kostverlorenmolen vervangen door een stoomgemaal, dat het water in de kolk kon opmalen tot 2,15 meter boven Rottepeil, dus 1,15 meter hoger dan de molens van de Hoge Boezem dat konden. De Hoge Boezem werd met een keersluis afgesloten van de kolk. In de loop der tijd bleek het stoomgemaal voor nogal wat problemen te zorgen. In 1899 werd het vervangen door een nieuwe stoomgemaal dat kwam te staan aan de Admiraliteitskade. Dit gemaal verving zowel het oude stoomgemaal als de acht molens van de Hoge Boezem. Hiermee kwam een einde aan de windbemaling. De kade van de Hoge Boezem werd doorgraven, zodat het peil op hetzelfde niveau kwam als dat van de Rotte en de Lage Boezem. De Hoge Boezem had dus zijn oorspronkelijke functie verloren. De stoombemaling duurde niet lang, want al in 1919 liet Schieland het gemaal elektrificeren. Het bestuur wordt complexer Sinds 1851 was het bestuur van Schieland uitgebreid met twaalf hoofdingelanden (later uitgebreid naar 24), afkomstig uit twaalf en later vier kiesdistricten. De hoofdingelanden werden, evenals de hoofdingelanden-plaatsvervangers, gekozen door de stemgerechtigde ingelanden van Schieland. Niet iedereen was stemgerechtigd, maar alleen die personen of instellingen die een of meer hectaren grond in bezitting hadden. Door de uitbreiding van Rotterdam kwam steeds meer grond in handen van Rotterdammers, zowel particulieren als gemeentelijke instellingen. Een logisch gevolg is dat Rotterdam een steeds steviger vinger in de pap van Schielands bestuur kreeg. Hoewel Rotterdam expansief groeide, was het deel van Schieland dat verstedelijkt was nog niet zo groot. Dit is goed te zien op de Jugendstilkaart die in 1928 werd vervaardigd. Het grootste deel van Schielands gebied was agrarisch. In de 20ste eeuw veranderde dit beeld langzaam maar zeker. Het economisch belang van Rotterdam nam toe. Dit was al in de 19de eeuw in gang gezet door de aanleg van de Nieuwe Waterweg, die een snelle verbinding van de Rotterdamse havens met de Noordzee bood. Dit leidde tot flinke uitbreidingen van de havens, waardoor weer industrie en arbeiders werden aangetrokken. Hierdoor zette de verstedelijking door. Steeds meer polders werden ontpolderd en nieuwe stadswijken rezen als paddenstoelen de grond uit. Door deze verstedelijking nam het gezagsgebied van Schieland flink af. Vanouds had Schieland geen zeggenschap over waterstaatkundige zaken die de stad aangingen en dat nam met de groei van Rotterdam alleen maar af. Bij andere waterschappen waar de verstedelijking ook een rol speelde, leidde dit in de jaren twintig tot een vernieuwing in het heffingensysteem: voortaan ging ook het gebouwd meebetalen. Niet alleen het ongebouwd, dus agrariërs, hadden belang bij stevige dijken maar ook de eigenaren van gebouwen en woningen. Schielands bestuur had hier problemen mee. Zij zagen meer in een afkoopsom die bij ontpoldering moest worden betaald. De heffing op gebouwd werd pas ingevoerd in 1955, toen na de watersnoodramp duidelijk was geworden dat iedereen belang heeft bij een goede dijkzorg.